Uitgelicht » De boeken

De boeken

Blank wiesch Gilgamesj zijn wapenen………

Negen boeken met verhalen uit het oude Griekenland, Mesopotamië en Egypte gemaakt tijdens de cursus etsen.

Aan het eind van het jaar heeft iedere deelnemer een boek. Een aantal boeken werden opgenomen in de collectie van de Openbare Bibliotheek aan het Spui te Den Haag en Openbare Bibliotheek Voorburg. Wij maakten er 9 en ik moet zeggen dat nu alles weer goed op de site staat ik nummer 10 nog wel zou willen maken.

Etsen wordt op de woensdagavond gegeven. Hieronder treft u de koppeling naar de betreffende boeken.


De etstechniek

De voorloper van de ets, de gravure, ontstond rond 1400 vanuit de wapensmederijen in Europa. In deze werkplaatsen brachten wapensmeden met scherpe beitels versieringen in harnassen en wapens aan. Als de gravure gereed was, werd ze opgevuld met een zwart email, niëllo, en werd er een nat vel papier overheen gelegd. De niëllo trok voor een deel in het papier en zo ontstond een afdruk in spiegelbeeld van de gemaakte gravure. Deze afdruk werd slechts voor één doel gebruikt: ze fungeerde als staalkaart voor het vakmanschap van de wapensmid. Dergelijke afdrukken vormden goed reclamemateriaal om nieuwe klanten te trekken. Het is dus niet verwonderlijk dat de gravure als reproductietechniek haar oorsprong vond in deze wapensmeden, aangezien de gebruikte techniek zeer gelijkaardig was. Pas in de 16e eeuw begonnen drukkers het proces te gebruiken.

In de periode van het ontstaan van de gravure ontdekte men dat metaal reageerde met een zuur of een base , waarbij het metaal werd aangetast. Hieruit ontstond de etstechniek, die ook steeds meer gebruikt werd in de boekdrukkunst. Het etsen gebeurt op een koperen of zinken plaat. Deze plaat mag gepolijst worden met fijn schuurpapier of een polijstmiddel om een zo glad mogelijk etsoppervlak te verkrijgen. De scherpe randen worden – indien gewenst – van een facet met een schuine kant voorzien, door met een vijl of schaar de zijkanten iets af te schuinen. Dit om te voorkomen dat bij het “afslaan” de handen opengehaald worden en ook om het drukkersvilt te beschermen tegen sneden door de zeer hoge druk van de etspers.

De voorkant (beeldzijde) van de metalen plaat wordt afgedekt met etsgrond, die op een verwarmde plaat wordt uitgerold. Om lokale plekken af te dekken, zoals bij aquatint gebruikt men spiritusvernis. De achterzijde van de plaat dekt men ook af met spirituslak (schellak opgelost in spiritus). Vervolgens brengt de etser met een etsnaald of scherp voorwerp de afbeelding (lijnets) in de afdeklaag aan, rekening houdend met de afdruk die in spiegelbeeld op de afdruk (drager, blad) komt te staan.

Afhankelijk van het gebruikte metaal en de bedoelingen van de etser, wordt de plaat in zuur of in zout gebeten (geëtst). Het bijten in een zoutoplossing (van ijzerchloride) heeft als nadeel dat het de lijnen uitsluitend in de diepte bijt. Een ander nadeel van bijten in zout is dat de ijzerchlorideoplossing een ondoorzichtige bruine vloeistof is. De etser ziet dus niet wat hij doet, maar moet weten hoelang hij een plaat moet baden om tot een goed resultaat te komen. Bovendien dient de etsplaat omgekeerd – met afbeeldingskant naar beneden – in de etsbak te worden geplaatst. Bijten in koper kan met salpeterzuur en ijzerchloride. Bij salpeterzuur is de lijn rafelig en heeft deze de neiging iets breder te worden. Na het inbijten wordt de etsgrond verwijderd met terpentine.

Als een plaat klaar is, wrijft men in de lijnen inkt. Vervolgens wordt de plaat afgeslagen: de inkt wordt eerst met prop papier van de plaat afgewreven, vervolgens wordt met een snelle beweging van de hand, waarbij de muis van de hand heel licht over de plaat gaat, het oppervlakte van de etsplaat volledig schoongeveegd. Dit heet ‘afslaan’, zodat alleen de inkt in de geëtste partijen blijft staan. Daarna drukt men de ingeïnkte plaat onder een etspers af op ingevocht papier. Eerst legt men 2 – 3 lagen vilt over het bewerkte etspapier dat over de afgeslagen etsplaat ligt. Door de zeer hoge druk van de etspers – tussen de 900 en 2000 kg daar waar de wals het vilt raakt- duwen de lagen vilt het papier in alle met inkt gevulde lagen van de etsplaat en gaat het ingevochte papier een noodgedwongen synthese aan met de etsinkt op oliebasis.

TIjdens het etsproces maakt de etser regelmatig proefdrukken of tussendrukken. Deze tussendrukken noemt men staten. Op basis hiervan kan telkens een volgende stap gezet worden.

Naast de gewone lijnets bestaan er ook andere etstechnieken. De aquatint en de vernis mou zijn de belangrijkste.

  • Aquatint: deze etstechniek is ideaal om toonverschillen – van lichtgrijs tot dekkend zwart – te verkrijgen. De gepolijste etsplaat wordt in een stuifkast (die kast staat op de overloop) gelegd, waar op de plaat met harspoeder of asfaltpoeder wordt gestoven. Na enige tijd – varieert van seconden tot minuten – wordt de plaat uit de kast genomen en op een rooster gelegd. Met een gasvlam wordt nu de plaat gelijkmatig verwarmd zodat de harskorrels of het asfaltpoeder smelten.
  • Vernis mou: bij deze techniek wrijft men de bovenkant van een opgewarmde metalen plaat in met zacht vernis (schapenvet en bijenwas). Vervolgens legt men papier boven het vernis. Door rechtstreeks op het papier te tekenen, ontstaat er een tekening in het zachte vernis. De lijnsoort is sterk afhankelijk van het gebruikte tekenmateriaal. Door rechtstreeks materialen (met een duidelijke textuur) in de zachte vernis aan te brengen kunnen ook allerlei structuren aangebracht worden op de etsplaat
  • De droge naald is eigenlijk geen etstechniek, maar wel een aan de ets verwante diepdruktechniek.