Uitgelicht » Hanny Bermon, de olifant

Hanny Bermon, de olifant

Olifant, potlood met tusche. 

De tekening blijft de basis van de beeldende kunst. Met een simpel potloodje weet Hanny een sterk beeld neer te zetten. Door goed gebruik te maken van dikke lijnen op de voorgrond en dunne lijnen  op de achtergrond ontstaat diepte. De tekening werd aangevuld met tusche.

Potlood
Potloden bevatten al eeuwenlang geen lood meer. Het potlood heeft haar naam te danken aan de oude Grieken en Egyptenaren, die met loodstiften op papyrus schreven. Het zachte metaal liet een grijze streep achter op het oppervlak. Hedendaagse potloodstiften bestaan uit grafiet en klei. Het meest gebruikte soort is het HB-potlood ( in Duitsland F) dat een gemiddelde hardheid heeft. B-potloden zijn zachter, ze bevatten veel grafiet, trekken dikke lijnen en zijn vetter. Vanaf HB tot 9B zijn prima potloden om mee te tekenen.
Grafiet zorgt ervoor dat je met potlood kunt tekenen.  Potloodfabrikanten maken gebruik van zuivere porseleinaarde, dat ook als grondstof voor aardewerk dient. Feitelijk is potlood gebakken porselein met grafiet. Laat je een potlood vallen dan breekt het porselein en is moeilijk om nog punten te slijpen.

Cederhout
Voor de bereiding van de stift worden klei en grafiet eerst fijngemalen, waarna er een bindmiddel aan wordt toegevoegd. Na walsen perst een machine het mengsel door kleine gaatjes, waardoor een stift ontstaat. Voordat er een houten huls omheen gaat, wordt de stift gedroogd en gebakken bij een temperatuur van ongeveer 1200 graden.

Weinig hout is geschikt om als omhulsel van de stift te dienen. Cederhout is de enige optie. De houtsoort is zacht, niet te zwaar en de nerven zijn heel fijn. Bomen die 150 tot 200 jaar oud zijn, leveren het beste hout. De huls van het potlood bestaat uit twee delen die nadat de stift erin is gelegd met lijm aan elkaar worden bevestigd.

Geschiedenis van het potlood
De geschiedenis van het potlood zoals wij het kennen, begint met een storm die in 1564 over het Engelse Cumberland raast en een boom ontworteld. Onder de wortels blijkt een grafietmijn schuil te gaan. Boeren gingen het gebruiken om hun vee te merken. Het materiaal bleek uitstekend toe te passen als schrijfmiddel. In 1761 brengt de Duitser Kaspar Faber een belangrijke verbetering aan. Een mengsel van grafiet, zwavel en hars geeft een strakkere lijn dan zuivere grafiet.

Een echte vernieuwing brengt de Franse kunstenaar en uitvinder Nicolas Conté enkele tientallen jaren later aan. Hij heeft fijngemalen klei vermengd met kwalitatief minderwaardige grafiet en vervolgens het mengsel gebakken in een kalkoven. In 1795 verkrijgt hij patent op de procedure. Een productieproces dat de dag van vandaag nauwelijks veranderd.

Het gummetje
In 1770 ontdekte de Engelse chemicus Joseph Priestley bij toeval dat potloodstrepen verwijderd kunnen worden door er met een stuk rubber overheen te wrijven. Vanaf dat moment worden er stukjes rubber als gum verkocht. Voor de ontdekking van het gummetje werd oud brood gebruikt om potlood van papier te verwijderen.

Tusche
Tusche is ook bekend als Chinees inktstaafje. Het is niet meer dan een blokje geperst houtskool van de pijnboom of dennenboom met  hars of beenderlijm als bindmiddel. Van oorsprong werd het van roet gemaakt.
In het wrijfbakje doe je wat water en dan wrijf je met de steen in het bakje tot je de gewenste kleur hebt.  Tusche is watervast.