Uitgelicht » Zonnebloemen

Zonnebloemen

Dinsdag 4 september start het Atelier het nieuwe seizoen. Ik start het seizoen traditiegetrouw met zonnebloemen. De bekendste zonnebloemen zijn die van Vincent van Gogh.

Zonnebloemen Vincent van Gogh, 1888 Olieverf op doek.

Van de serie zonnebloemen bestaan er drie schilderijen met vijftien zonnebloemen in een vaas en twee schilderijen met twaalf zonnebloemen in een vaas. Van Gogh schilderde eerst de Vaas met de twaalf zonnebloemen, die in het Neue Pinakothek-museum in München in Duitsland hangt. Dan de eerste van de Vaas met vijftien zonnebloemen, die in de National Gallery in Londen hangt, gemaakt in augustus 1888 toen hij in Arles in Zuid-Frankrijk woonde. De latere schilderijen zijn ontstaan in januari 1889.

De schilderijen zijn geschilderd op een doek van 93 × 72 cm . Een eerdere serie van vier stillevens met zonnebloemen is geschilderd in Parijs in 1887.

Vincent Van Gogh begon met schilderen van de werken in het einde van de zomer van 1888 en vervolgde dit een jaar later. De schilderijen gingen naar zijn vriend Paul Gauguin als decoratie voor zijn slaapkamer. De schilderijen laten verschillende perioden van bloei van de zonnebloemen zien, van volle bloei tot verwildering.
Nieuw was het gebruik van de vele gele kleuren.

Eeuwenlang waren kunstenaars door hun materiaal aan hun atelier gebonden. Met de uitvinding van de verftube in 1840 door John Goff Rand, werd het mogelijk buiten te schilderen. Verf in een tube droogt niet uit en kan in handzame hoeveelheden worden meegenomen. Dat had grote invloed op de ontwikkelingen in de beeldende kunst van de 19de eeuw, het plein-air schilderen en impressionisme hebben veel aan de tube te danken. ’Zonder tube geen impressionisme’, stelt zelfs de Franse schilder Auguste Renoir. Het nadeel van de tube dat de meest inferieure verf en kleurstoffen in de handel kwamen.
De zonnebloemen van van Gogh zijn dan ook aan het verwelken. Voor het geel van de zonnebloemen gebruikte van Gogh kaliumchromaat,  beter bekent als chroomgeel. Een pigment dat onder invloed van licht deels chemisch uit elkaar valt. Een instabiel pigment waardoor bloemen en achtergrond van geel naar olijfbruin verkleuren.

Gelukkig schilderde van Gogh met dikke toetsen waardoor de echte kleuren nog te herleiden zijn.  Jaren geleden verlaagde het van Goghmuseum, ter bescherming van de doeken die daar hangen, de lichtintensiteit in het museum.


En plein air schilderen

Halverwege de 19e eeuw maakt een combinatie van technische vernieuwing en nieuwe filosofische  inzichten over het landschap dat kunstenaars naar buiten gaan om te schilderen, in de open lucht, “en- plein- air”.

De eerder genoemde  uitvinding van verf in knijpbare tubes is voor de schilderkunst één van de grootst denkbare innovaties: lange houdbaarheid van de verf en grenzeloze mobiliteit zijn ineens mogelijk.  Hoewel kunstenaars al vanaf de 17 eeuw wel eens  buiten werkten, was dat  uitsluitend om te schetsten met potlood of inkt, wat later in het atelier in verf uitgewerkt kon worden.

Nieuwe  gedachten in de schilderkunst over de rol van het landschap doen vanuit Engeland hun intreden  rond 1800. De overweldigende natuur om ons heen moet in al haar facetten en momenten worden weergegeven. De mens  staat niet meer centraal. Sfeer, emoties en impressies worden uitgangspunt. De snelle licht- en weersomstandigheden vereisen van de kunstenaars snel werken.  Het schilderen wordt spontaner om het effect van het ogenblik op het doek te vangen. De Impressionisten brengen deze kunstvorm met name tot grote hoogte.  Aan het einde van de 19e eeuw verliest het plein-air schilderen aan terrein.  Het zoeken naar nieuwe inzichten en inspiratie drijft de kunstenaar weer naar zijn atelier.

Voor het en plein air schilderen componeerde schilders op het atelier het definitieve landschap in olieverf. Wie een landschap van voor de en plein air periode bekijkt weet dat hij of zij kijkt naar een door de schilder uit verschillende schetsen verzonnen landschap kijkt.