Uitgelicht » Haagse kunststromingen

Haagse kunststromingen

Tanja Hardebol

Tanja hardebol is een eigenzinnig schilderes. Wars van afspraken en technische mogelijkheden zocht zij in de loop van de jaren een weg om haar eigen beeldtaal en werken te creëren. Haar voorkeuren liggen bij de aquarel aangevuld met fineliner en de pastel. Tanja is een uitgesproken colorist, kleur is voor haar een belangrijker iets dan vorm of onderwerp.
In de regel hebben haar werken een decoratief karakter, perspectief speelt nauwelijks of helemaal geen rol. Vaak hebben haar kleuren, ook als zij een voorwerp in de verte suggereren dezelfde toon en hardheid en hebben haar lijnen overal dezelfde grafische waarde. Dat zorgt vaak voor een charmant, plat beeld.

In dit werk koos Tanja ervoor een deel van de aquarel te bewerken en een deel van het werk nauwelijks een bewerking te geven. In het rechter bovendeel werden zowel kleur als lijn werden tot een minimum beperkt. Hierdoor ontstaat het atmosferisch perspectief.

Het atmosferisch perspectief

Het atmosferisch perspectief zien wij in werkelijkheid ook. Het wordt veroorzaakt door zwevende deeltjes in de lucht. Het gaat daarbij  onder meer om kleine waterdruppels, maar ook vervuiling als rook- stof en roetdeeltjes spelen een grote rol. In de praktijk zien we dat kleuren steeds meer vervagen naarmate de afstand groter wordt.
Het atmosferisch perspectief is geen wiskundig onderbouwde theorie zoals lijnperspectief.  Atmosferisch perspectief is op de kleurenleer en waarneming gebaseerd. Het is dan ook een minder formele vorm van perspectief dan de lijnperspectief.
Wie goed kijkt ziet dat kleuren naar achter toe steeds minder krachtig worden, alsof ze met witten zijn gemengd. De vormen worden ook minder duidelijk waardoor het lijkt alsof het platte schilderij diepte krijgt. Details worden aan de voorkant wel geschilderd, naarmate je meer diepte suggereert zal je de details steeds minder duidelijk tot niet moeten weergeven.


Stromingen in de Haagse schilderkunst

Het werk van Tanja Hardebol is, net als dat Toos Wubben, in te delen in de naïeve schilderkunst. Een uitleg over de naïeve schilderkunst vind u hier. Door de geschiedenis heen kent de schilderkunst vele stromingen, van de Vlaamse Primitieven met het lam Gods van de gebroeders van Eyck tot Fluxus met de pindakaasvloer van Wim T. Schippers.

In dit stukje beperk ik mij tot de belangrijke kunststromingen in Den Haag met als onderverdeling de Haagse School en de Nieuwe Haagse School.

De Haagse School
In Den Haag werd in 1847 door een aantal Haagse kunstschilders, waaronder de latere Haagse Schoolschilders Willem Roelofs en Hendrik Weissenbruch, het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio (Latijn voor ‘uit ijver voor het schone’) opgericht. Na enige omzwervingen kreeg deze kunstenaarsvereniging in 1901 haar thuisbasis in het statige pand aan het Lange Voorhout waarin zij nog steeds is gevestigd. Van aanvang af was Pulchri Studio een levendige vereniging waar veel over schilderkunst werd gediscussieerd. Natuurlijk kwamen bij deze kunstbeschouwingen ook de verschillen tussen het ‘classicisme’, dat op kunstacademies de toon aangaf, en de opvattingen van de jonge Franse ‘impressionistische natuurschilders’ van Barbizon aan de orde. Pulchri Studio is dan ook de bakermat van de Haagse School.

De Haagse School bracht een belangrijke vernieuwing in de Nederlandse schilderkunst. Een groep schilders, onder wie Jozef Israëls, de gebroeders Maris, Jan Hendrik Weissenbruch en Hendrik Willem Mesdag vestigden zich in Den Haag. De stad kende (en kent) een bloeiend kunstklimaat en een mooie omgeving. In tegenstelling tot hun leermeesters van de romantiek wilden de schilders van de Haagse School hun landschappen niet idealiseren maar op een realistische wijze verbeelden.

De Haagse School schilderde voornamelijk het Hollandse landschap. In navolging van de Franse kunstenaars van Barbizon, die rondom de bossen van Fontainebleau in de buitenlucht werkten, trokken ook steeds meer kunstenaars in Nederland erop uit om ‘plein-air’ te schilderen. De aanleg van nieuwe spoorlijnen en de productie van kant-en-klare verf in tubes maakten dit buiten schilderen mogelijk

De in de buitenlucht gemaakte studies vormden in de koudere wintermaanden het materiaal in het atelier. Daar componeerden de kunstenaars van de Haagse School hun stemmige landschappen. Ze legden de nadruk op de weergave van licht en atmosfeer. Grootse luchten en de reflectie van licht op het water zijn veel terugkerende elementen. Gelijk aan de schilders van Barbizon maakte de Haagse School gebruik van tonale kleuren, wat de groep kunstenaars de bijnaam ‘de grijze school’ opleverde.

Avondstond op zee, Hendrik Willem Mesdag, olie op linnen ca. 1876

De Nieuwe Haagse School
In de jaren vijftig en zestig deed zich een opmerkelijke vernieuwing voor in de Haagse beeldende kunst. Na het isolement van de donkere oorlogsjaren, stonden Haagse schilders bijzonder open voor wat buiten Nederland, en wel met name in Parijs, op het terrein van de beeldende kunst was te doen. Tal van Haagse kunstenaars, zoals ondermeer Karel Bleijenberg, Kees van Bohemen, Lotti van der Gaag, Jan van Heel, Nol Kroes en Jan Roëde, verbleven direct na de oorlog dan ook voor kortere of langere tijd in Parijs. Uiteindelijk verwerkten de Haagse schilders de invloeden van de Ecole de Paris tot een geheel eigen manier van schilderen.

de Verve
Dit nieuwe elan leidde in 1951 tot de oprichting van de groep Verve. Theo Bitter, Jan van Heel, Nol Kroes, Frans de Wit en Willem Schröfer waren de oprichters van deze groep. In 1952 verscheen bij Bert Bakker in Den Haag een voor toen luxueuze catalogus, een boek eigenlijk, waarmee de groep Verve haar bestaan in geschrifte bevestigde.
De Verve was met nadruk geen vereniging of school, maar een groep. Een gezelschap van bij benadering gelijkgerichte, met in hoofdzaak figuratief werkende kunstenaars die vooral op Parijs georiënteerd waren. Willem Schrofer bedacht de naam Verve en schreef het oprichtingsmanifest wat aanvankelijk door een eerste groep van 15 schilders en vijf beeldhouwers werd ondertekend. Alle leden werden per brief uitgenodigd. De groep exposeerde voor het eerst als groep in 1951 aan het Lange Voorhout Nr 58 bij Esher Surrey Art Galleries.
Naar aanleiding van een inleiding bij een van hun tentoonstellingen werd ook de term ‘Nieuwe Haagse School’ geboren.
Na 1957 was de kracht van het bindende element verdwenen. En ging ieder weer zijn eigen weg, maar sommigen vonden elkaar later weer bij de oprichting van Fugare in 1960 en in de Posthoorn zowel het café als de kunstzaal.

Spaanse danseressen. Kees Andrea, aquarel

de Fugare
Op 26 januari 1960 om 20:15 precies werd op initiatief van George Lampe in Pulchri Studio de groep ‘Fugare’ opgericht. Veel oud-leden van Verve traden toe tot deze nieuwe groep. Nog meer dan daarvoor lag de nadruk op abstractie en experiment, toch werd er ook nog in de figuratieve traditie geschilderd.
De groep bestond uit tien schilders: Theo Bitter, Harry Disberg, Jan van Heel, Willem Hussem, Nol Kroes, Joop Kropff, George Lampe, Jaap Nanninga, Wim Sinemus, Frans de Wit en twee beeldhouwers: Theo van der Nahmer en Aart van den IJssel. Later sloten zich hierbij aan: Gerard Verdijk in 1964 en Christiaan de Moor in 1965.
Tentoonstellingen vonden o.a. plaats in Pulchri Studio (1960, 1961 en 1962), in het Stedelijk Museum in Amsterdam (1961) en in het Van Abbemuseum in Eindhoven (1962). De groep zou bestaan tot 1967. Net zoals bij Verve is er ook bij Fugare geen groepsstijl is te herkenen alhoewel er door Lampe in het manifest wordt gesproken van abstract abstraherend of experimenteel bezig zijn. Elk van de leden volgde min of meer zijn eigen stijl. Zo schilderde Hussem zuiver abstract en Jan van Heel schilderde figuratief.

Willem Hussum, Zwart-Wit. olie op doek, 1963

de Posthoorngroep
Op initiatief van Jaap Nanninga werden vanaf 1949, door een aantal meer experimenteel ingestelde Haagse schilders, in café ‘De Posthoorn’ schilderijen geëxposeerd, met zo’n succes dat de eigenaar van het café de heer Knijnenburg in 1950 het naburige pand huurde. De kunstenaars mochten er gratis exposeren. Vanaf 1956 wordt het ingericht als kunstzaal en als galerie ingericht door de kunstcollectioneur Frits Becht, Galerie de Posthoorn werd hierdoor een feit. Wie de tentoonstelling wilde zien kon aan het buffet van het café de sleutel ophalen.
Kunstenaars als Jan Roëde, Jaap Nanninga, Willem Hussem, Hans van der Lek, Gerard Verdijk, Dirk Bus, Nol Kroes, George Lampe, Jan Cremer, Lotti van der Gaag, Theo Bitter, Karel Bleijenberg, Kees van Bohemen, Jos van den Berg, Aat Verhoog en anderen, mochten er gratis exposeren.
Er werden bijna maandelijks tentoonstellingen georganiseerd. Waar zowel van Nederlandse als van buitenlandse kunstenaars werken werden tentoongesteld. Zo exposeerde bv de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni er in 1959.
De jaren 1956-1959 waren de meest succesvolle, daarna nam de belangstelling snel af, en in 1962 sloot de galerie haar deuren.

Portret van een zittende vrouw, Theo Bitter

de ABN groep
Belangrijk was de invloed van Co Westerik, docent aan de Koninklijke Academie te Den Haag. Drie realistische schilders werden beïnvloed door de wijze van werken van Westerik: Pat Andrea, Peter Blokhuis en Walter Nobbe. Walter, die grote bekendheid verwierf met zijn decors voor het Nationaal Ballet is helaasoverleden. Peter Blokhuis heeft zijn atelier in Den Haag en Pat Andrea (pseudoniem van Gustaaf Hein Andrea, zoon van de Haagse schilder Kees Andrea en kunstenares Metty Naezer) woont in Parijs en werkt afwisselend in Parijs en Buenos Aires.

Zomeravondtraining Pat Andrea, litho 1/190, 1970

bronvermelding:
Haags Gemeentemuseum
Nieuwe Haagse School (website)
Pulchri Studio