Robert Bink.

Robert Bink benut de mogelijkheden van de etstechniek ten volle. Zijn prenten (een prent is een afdruk) zijn geen plaatjes maar zelfstandige beelden. Zijn onderwerpkeuze is boeiend. Hij combineert bestaande situaties en grafische elementen op een zodanige manier dat er een bijna surrealistisch, op zichzelf staand beeld ontstaat. In zijn werken zijn veel diepdruktechnieken terug te vinden. Het maken van zo’n prent is een langzaam proces. Keer op keer worden nieuwe elementen of technieken toegevoegd. In boven staande prent “In fuga per l’ombra del castello di Grinzane Cavour” worden wijngaarden, een oud kasteel in Italië , een kever geplaatst tegen een donkere lucht rechtsboven. Een lucht die wordt doorbroken met flarden blauw in hoogdruk die refereren aan situatie overdag.
Het werk van Robert Bink is tot 5 januari 2019 te bekijken in galerie Wijn & Kunst, Weimarstraat 24a, 2562 GX DEN HAAG.
Etsen
We onderscheiden vier grafische technieken:
- Diepdruk (etstechniek)
- Hoogdruk (lino-en houtsnede)
- Vlakdruk (litho en zeefdruk)
- Fotografie (analoog en digitaal)
Dit artikel gaat over de etstechniek en aanverwante diepdruktechnieken. Kenmerkend voor de techniek is dat altijd in spiegelbeeld wordt gewerkt.
Het principe is eigenlijk simpel; een metalen plaat wordt aan beide zijden met een zuurbestendige laag afgedekt. Met een etsnaald wordt op de voorzijde de afbeelding aangebracht waarna deze in zuur of base (zout) wordt uitgebeten. Als de plaat klaar is dan kan de afbeelding op de plaat in een oplage worden afgedrukt. De oplage en met welk exemplaar uit die oplage je te maken hebt staat onder aan de ets. Staat er bijvoorbeeld 1/25 dan hebben wij te maken met de eerste afdruk uit een oplage van 25.
Geschiedenis
De geschiedenis van de techniek begint bij de gravure en heeft haar oorsprong bij goudsmeden en wapensmederijen aan het eind van de 14e eeuw in Duitsland. Met een metaalbeitel werden decoraties in o.a. harnassen uitgestoken waarna de lijnen werden opgevuld met een zwarte zwavelverbinding (niëllopoeder). Hierop werd een vochtig stuk papier gelegd. Op deze wijze kon men van de uitgestoken afbeeldingen een “afdruk” maken. Feitelijk fungeerde deze afdruk als archief- en reclamemateriaal voor de maker. Toekomstige klanten konden in beeld het vakmanschap van de wapensmid beoordelen. Om een gravure te maken gebruikte men geen zuur. In de loop van de tijd werden de materialen waar harnassen van werden gemaakt harder en werd gezocht naar andere mogelijkheden de decoratie in het harnas te krijgen. Hoe en wie de techniek ontwikkelde is niet bekend maar in de werkplaatsen van de wapensmeden werd een zuurbestendige waslaag op het metaal aangebracht. In die waslaag werd de decoratie getekend waarna een zuur (een combinatie van azijn en groenspaan-koperacetaat) het werk deed. In het musée Unterlinden te Colmar hangen de twee etsen van Martin Schongauer . Ze werden in de 15e eeuw gemaakt en zijn waarschijnlijk de twee oudste etsen die wij kennen.
Martin Schongauer
De Duitse schilder en etser Martin Schongauer werd omstreeks 1450 geboren in Colmar. Hij groeide op in een familie van goudsmeden. Martin studeerde theologie in Leipzig en leerde het schildersvak waarschijnlijk van een leerling van K. Isenmann. Over het leven van deze kunstenaar is weinig met zekerheid te zeggen. Van Martin Schongauer is een serie geëtste portretten van Moren bekend, daarom neemt men aan dat hij ook een tijd in Spanje heeft doorgebracht. Zijn schilderijen verraden invloed van Rogier van der Weyden. Martin Schongauer maakte vooral religieuze werken. Daarnaast etste hij genrescènes uit het boerenleven. Zijn ‘Madonna in de rozenhaag’ (1473) en de in 1932 in de Sankt-Stephan in Breisach ontdekte muurschilderingen zijn de bekendste werken van Martin Schongauer. Er zijn helaas weinig schilderijen van deze kunstenaar bewaard gebleven. Hij drukte lichaamsdelen, planten en dieren uit met krachtig geplaatste penseelstreken.
Schongauer is vooral bekend geworden door zijn prenten, waarvan er 115 met monogram bekend zijn. Hij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de gravure en de etstechniek in de vijftiende eeuw. Martin Schongauer overleed in februari 1491 in Breisach.

Een gravure is van een ets te onderscheiden als je naar het begin van de lijnen kijkt. Een lijn in een gravure begint stomp, wordt dan wat breder om weer stomp te eindigen. De reden zijn de vorm van de burijn (de beitel) en het feit dat de graveur in het begin en eind wat minder kracht zet dan ik het midden van de lijn. Bij een ets op koper is de lijn overal hetzelfde. Een op zink geëtste lijn is altijd rafelig.
Staalgravure
In de negentiende eeuw werd vaak gebruik gemaakt van de staalgravure, die veel harder is en minder aan slijtage onderhevig, zodat een groter oplage mogelijk werd. De staalgravures dienden als illustratiemateriaal in boeken. Gezien de grote oplages waarin zij werden gedrukt hebben staalgravures weinig waarde. Staalgravures zijn te herkennen aan hun grijze toon.

Deze staalgravures waren vaak reproductie van al bestaande schilderijen of tekeningen. De graveur was vaak een ambachtsman, geen kunstenaar. Onder staalgravures valt vaak te lezen wie de afbeeldingen maakte, de schilder of tekenaar van het werk, de graveur, drukker en uitgever.
- Fecit (heeft het gemaakt)
- Inv(enit) (heeft het ontworpen)
- Del(ineavit) heeft het getekend
- Pinx(it) heeft het geschilderd
- Scul(psit) geeft de graveur aan
- Imp(ressit) geeft de drukker aan
- Exc(udit) geeft de uitgever aan
Voortgezette etstechnieken
Naast de lijnets bestaan er technieken als :
- droge naald
- vernis-mou
- aquatint
- suikertint/suikeraquatint
- vetkrijt-techniek
- wildbijting
Droge naald
Wanneer je met een zuur of base (zout) etst wordt al het metaal door het zuur weg gebeten. Als je met een geharde naald in een etsplaat krast, ontstaat er een braam. Die blijft staan aan de zijkant van de lijn. Onder die braam hecht zich inkt . Hierdoor ontstaat bij het afdrukken een ietwat fluweelachtige lijn, die typerend is voor de drogenaaldtechniek. De braam slijt snel, voor een hoge oplage is de techniek dan ook minder geschikt.
In de onderstaande ets van Rembrandt zie je het verschil tussen een geëtste lijn en een droge naald duidelijk. De zware partijen in het riet op de voorgrond zijn droge naald, de andere lijnen zijn geëtst.

Vernis-mou
Een bolletje etsgrond bestaat uit hars, bijenwas en asfalt. Na droging is de etsgrond hard: vernis-dur. De harde etsgrond is geschikt om met een etsnaald in te tekenen. Als er meer bijenwas in de etsgrond wordt gedaan ontstaat een zachte etsgrond: vernis-mou. Na droging blijft deze zacht. Met vernis-mou is het mogelijk structuren in de etsgrond te drukken. Daarbij moet rekening worden gehouden met het vilt en de rollers van de etspers. In onderstaande prent ziet u ingedrukte vitrage als structuur. Nadat Dietrich Meyer ca. 1620 de zachte grond (vernis mol) voor het etsen ontdekte, schijnt nog zachtere grond reeds sporadisch gebruikt te zijn voor met vernis mou vergelijkbare technieken. Pas na ca. 1750 vindt deze werkwijze ruimere toepassing. (Bron Polymetaal Leiden)

Aquatint
Als prentkunstenaars met druktechnieken experimenteerden, was dat vaak omdat ze naast lijnen ook vlakken wilden creëren, of zochten naar meer variatie in toon. Vóór de ontwikkeling van de aquatint gebruikten etsers technieken als arcering, kruisarcering, roulette en stippelgravure om vlakken op te vullen en een illusie van licht en duisternis op te roepen. Bij de aquatint wordt een zuurbestendige hars in fijne korrels over de plaat gestrooid en vastgebrand. Tussen de harskorrels ligt het metaal van de plaat open en kan deze worden gebeten. Aquatint bijt je in secondes tot een minuut of drie en wordt gebruikt om egale vlakken te krijgen. Echt zwarte vlakken moeten een aantal malen met hars worden bestrooid en gebeten. Als uitvinder van de aquatint geldt J.B. Le Prince, midden 18e eeuw. Goya werd er beroemd mee.

Suikertint/suikeraquatint
Hercules Segers wordt gezien als de ontdekker van de suikertint. Bij deze techniek tekent men met een penseel met een verzadigde suikeroplossing op een enigszins vette plaat. Na droging wordt een dunne laag vloeibare was over de plaat gestreken. Als ook deze droog is dan wordt de plaat in warm water met een scheutje azijn gelegd. Het suikerwater lost op en de plaat kan worden geëtst. Er ontstaat een schilderachtig beeld. Wordt het suikerwater direct op de plaat aangebracht dan is voor resultaat een lange bijttijd nodig (soms enkele uren).
Wordt op de plaat een aquatint aangebracht waar met suikerwater over wordt getekend dan wordt de plaat kort, als een aquatint, gebeten.

Vetkrijttechniek
Een tekening met een vettig krijt over een aquatint is korte tijd zuurbestendig. Het is verstandig de krijttekening met een asfaltpoeder te verstevigen. De plaat kan korte tijd worden gebeten waarna een witte lijn in een zwart vlak ontstaat. Dit is slechts één van de vele mogelijkheden. Ook hier is het aan de inventiviteit van de etser deze techniek uit te breiden.
Wildbijting
Bij de wildbijting wordt een plaat (al of niet gedeeltelijk afgedekt) “bloot”in het zuur gelegd. Het resultaat van deze bijting is vooraf niet voorspelbaar. Alle technieken zijn te combineren. Begin dan altijd met de bijting die het langst in het zuur gaat. Droge naald wordt op het laatst aangebracht, deze mag niet in het zuur worden gelegd.

Afdrukken
Als de plaat klaar is wordt deze schoongemaakt, ingeïnkt, afgeslagen en kan zij worden afgedrukt. Hoe dat gaat ziet u hier
Te volgen stappen bij de lijnets
- Plaatje zink op maat snijden
- Zijkanten en hoeken vijlen
- Brasso poetsen tot spiegel
- Op hete plaat leggen
- Was erop leggen
- Met tampon de was verspreiden
- Met roller glad maken
- Afspoelen onder de koude kraan
- Roeten en laten afkoelen (ongeveer 5 min.)
- Tekening aanbrengen
- Eventuele beschadigingen afdekken
- Achterkant plaatje afdekken
- Plaat in zuurbad leggen
- Af en toe met veer over afbeelding
- Plaat uit het zuur en aan twee kanten afspoelen met water
- Schoonmaken spirituslak met spiritus
- Schoonmaken waslaag met terpentine
- Oppoetsen met Brasso
- Papier in water doen
- Ets inkt verdelen en uitwrijven
- Krant inkt afhalen en met hand
- Plaatje met courantdruk als ondervel op de pers leggen
- Papier drogen in een handdoek
- Papier op plaatje vilt eroverheen en draaien
- Afdruk voorzichtig verwijderen
- Etsplaatje schoonmaken met terpentine
Op het atelier werk ik met zink en salpeterzuur. De reactie is: Zn + HNO3 = Zn(NO3)2 + NO2 + H2O (Zink + Salpeterzuur = Zinknitraat + Stikstofdioxide + Water)
Bronvermelding
- Ad Stijnman, Engraving and Etching 1400-2000: A History of the Development of Manual Intaglio Printmaking Processes, London: Archetype Publications in Association with Hes & De Graaf Publishers
- Jan Verbruggen, Etsen
- Jan Poortenaar, Etskunst, geschiedenis en techniek
- Atelier Jan Naezer