Uitgelicht » Beatrix Wijnand

Beatrix Wijnand

Stilleven met druiven en hortensia, aquarel

Beatrix Wijnand maakt veel schilderijen in olieverf. Daarin is zij zeer bedreven. Ooit had ik het genoegen haar eerste overzichtstentoonstelling met veel van deze werken te mogen openen. De aquarel heeft een iets bescheidener plaats in haar werk. Dat is onterecht want juist de transparantie van de aquareltechniek is een waardevolle aanvulling. Dat is terug te vinden in dit door haar geschilderde stilleven.

Op mijn atelier geef ik graag les met en naar stillevens, dan leer je echt kijken. Toch is het niet het stilleven wat het onderwerp is, maar de aquarel of schilderij zijn het echte onderwerp. Het blijft ten alle tijde verf op papier of linnen en zal nooit het stilleven worden. Het stilleven zet ik weg, het werkstuk blijft.  Wie de tekst “Ceci cést pas une pipe” van Magritte echt begrijpt, begrijpt wat schilderen is.

Dit betekent ook dat je jezelf de vrijheid moet geven af te wijken van wat ik neerzet. In dit stilleven zaten veel hortensia’s, een moeilijk te schilderen bloem. Het moeilijke van de hortensia is dat wij snel geneigd zijn alle bloemen te schilderen met als resultaat dichtgelopen partijen. Probeer bij deze bloem de bovenkant licht te houden..

In de aquarel van Beatrix liepen de hortensia’s net iets te dicht en dan wordt het pas interessant, dan is de schilder degene die de oplossing voor het werkstuk moet bedenken. De voorste partij veranderde in druiven en de groene fles werd sterker aangezet. Met name dat laatste, het plaatsen van een duidelijk contrast achter de witte kan zorgde er voor dat je blik naar deze witte partij wordt getrokken. Hierdoor werd het evenwicht in de aquarel kundig hersteld.


Het Haagse kunstbeleid, de relativiteit.

In een vorig artikel ging ik in op de kunststromingen die Den Haag kende;

  •  de Haagse School,
  • de Verve
  • de Fugare
  • de Posthoorngroep
  • de ABN-groep.

Wat ik toen vergat te vermelden was dat het toenmalig Haags Gemeentemuseum is ontstaan uit een initiatief van Haagse kunstenaars aangesloten bij Pulchri Studio. De kunstenaars vonden dat er een plaats moest zijn om op museaal niveau kunst uit Den Haag te tonen.
In de jaren na de tweede wereldoorlog begonnen grote steden met het opzetten van een kunstbeleid. In eerste instantie was dat een beleid gericht op de inkomenspositie van de kunstenaar, later richtte het beleid zich meer en meer op de kunst zelf. In het begin werd het in Den Haag het gemeentelijk kunstbeleid bepaald door een enkeling, één iemand kocht aan en gaf opdrachten. Dat veranderde met de oprichting van de Gemeentelijke Commissie voor Beeldende Kunsten, de GCBK.
De GCBK was samengesteld uit leden op voordracht van de kunstenaarsverenigingen Pulchri Studio, Haagse Kunstkring en Arti en leden op voordracht van het Gemeentemuseum, de gemeente Den Haag en diverse gemeentelijke diensten.
Ik was zelf, op voordracht van Pulchri Studio, jaren lang commissielid. Ik maakte deel uit van een aantal werkgroepen waaronder Aankopen, Bijzondere Opdrachten en het Wethoudersoverleg. Dat was een mooie periode waarin met weinig geld veel tot stand werd gebracht.

De 7 spades, Plantsoenendienst
Een aardig voorval uit die periode wil ik u niet onthouden.  Aan de professor Teldersweg staat een beeld wat iedere Hagenaar wel kent,  de 7 spades van de Plantsoenendienst. Deze spades stonden eerst verspreid over een aantal wijken in Den Haag. Bij het 25 jarig bestaan van de dienst werden zij door de dienst als groep aan de professor Teldersweg  geplaatst. In die jaren (1960 – 1998) oordeelde de Gemeentelijke Commissie voor Beeldende over plaatsing van beelden in de openbare ruimte. Het oordeel van de werkgroep Kunst in de Openbare Ruimte was dat deze spades geen kunst waren.
Best vreemd want je kunt de spades best vergelijken met “de Troffel” van Claes Oldenburg, museum Kroller -Muller

“Mooi, als het geen kunst is dan hoeft deze werkgroep er ook niet over te oordelen”. sprak de directeur van de dienst .
Het resultaat was een verbouwereerde commissie en 7 spades die gelukkig aan de professor Teldersweg zijn blijven staan.

7 spades, dienst Groenvoorzieningen, professor Teldersweg Den Haag

De verandering
Met de de GroenLinks wethouder Cultuur Verduyn Lunell kwam ook de verandering in het Haagse kunstbeleid.  Met name de politieke tegenstellingen tussen de wethouder en de secretaris van Pulchri Studio, steunpilaar en mede-architect /oprichter van het CDA, versnelden het proces in de verandering van de positie van Haagse kunstenaars.
De belangrijkste verandering was het uitschakelen van de invloed van kunstenaarsverenigingen door het opheffen van de GCBK. Hiervoor kwam het “onafhankelijke” instituut STROOM/ Haags Centrum voor Beeldende Kunsten met leden van buitenaf in de plaats. Er kwam een professionaliteitstoets die minder gaat over de vraag of een kunstenaar beroepsmatig is, maar waar vooral de smaak van commissieleden leidend is. Zonder die toets was en is het niet mogelijk subsidies aan te vragen of een atelier te huren. Overigens kan dat met die toets ook niet altijd want waar de financiering voor het instituut gewaarborgd is, kregen de Haagse kunstenaars vorige maand de brief dat de subsidies voor exposities en publicaties , net als in de voorafgaande jaren, voor dit jaar op is.

De relativiteit.

Artikel uit de Posthoorn.

Het project “Den Haag in alle staten” was een project waarmee ik de relativiteit van commissies wou aantonen. Een absurd project, ik mag dat zeggen; het was mijn eigen project.

Even een stukje geschiedenis.
De aankopen voor de artotheek werden ondergebracht bij het nieuwe instituut STROOM. Voor één van de aankooprondes bood ik een ets te koop aan. Die werd afgewezen. Dat stak mij enorm en ben toen gaan kijken wat de betreffende commissieleden wel mooi, of beter, interessant vonden. Op basis van de interesses van de commissieleden schreef ik het project “Den Haag in alle staten”, een grafiekproject in de openbare ruimte. De openbare ruimte was destijds erg “hot”. Voor dit project maakte ik de ets opnieuw.  Het idee was om de argeloze voorbijganger te tonen hoe een ets werd gemaakt. Om de drie dagen werd een staat ( een staat is een afdruk van de fase waar de prent zich in bevindt, een tussendruk) op borden, verspreid over 10 locaties in de stad, geplakt om uiteindelijk de definitieve prent te tonen. Deze prent heeft, goed betaald, een aantal weken in hoofdzakelijk regen buiten mogen staan. Hoeveel argeloze voorbijgangers na afloop van dit project  wisten hoe een ets tot stand komt, ik heb mijn twijfels…

Den Haag in alle staten verwees zowel naar de tussendrukken van een ets maar was tegelijk een aanduiding hoe ik mij, na de afwijzing voor aankoop, voelde, ik was in alle staten. Bij de eindverantwoording exposeerde ik alleen de correspondentie. De verstandhouding veranderde.

Terugkijkend was het eigenlijk een hele leuke periode.

Had alles dan moeten blijven zoals het was? Nee beslist niet. Veranderingen zijn goed, geven nieuwe invalshoeken. Maar het doel, de kunst, moet leidend zijn, niet het in stand houden van dure instituten. Mede om die reden pleitte de schrijver Theo Monkhorst (oud gemeenteraadslid voor de VVD) recent nog voor een heroverweging van het Haags beleid beeldende kunsten. Ook hem is dat niet in dank afgenomen.

Dat veranderingen vruchtbaar kunnen zijn heeft Beatrix in haar aquarel goed begrepen. Waar de hortensia’s dicht liepen veranderde  zij deze deels in druiven. Maar haar doel, een goede aquarel, heeft zij niet uit het oog verloren. Daar is zij met verve in geslaagd.