Uitgelicht

Russische kunst

Alla Serdyuchenko

Stilleven met hortensia, aquarel

Ik wil het seizoen eindigen met een kleine aquarel van Alla Serdyuchenko. Alla begon heel realistisch, gedurende het jaar werd de impressie belangrijker. Zij startte deze aquarel met een schets in potlood en een schets in aquarelverf. Het definitieve werk, klein van formaat, is een prachtig resultaat.

I want to end the season with a small watercolour painting of Alla Serdyuchenko. Alla started very realistic, during the year the impression became more important. She started this watercolour painting with a sketch in pencil and a sketch in watercolor paint. The final work, small in size, is a wonderful result.

I write the blog in Dutch and English, Alla is from Russia, a country where many famous painters come and came from.


Russische kunst
Russische kunst toont een grote verscheidenheid aan stijlen, onderwerpen en technieken. In dit artikel worden enkele van de belangrijkste stromingen van de afgelopen eeuwen binnen de Russische kunst beschreven.

Vroeg-Russische kunst
In 988 bekeerde Rusland zich van een heidense religie tot het christendom. Kunstenaars werden al snel meesters in het schilderen van ikonen. Religieuze iconen zijn portretten van Jezus Christus, Christelijke heiligen en andere belangrijke Bijbelse figuren. Andere iconen geven gebeurtenissen weer zoals de geboorte van Christus of van de wonderen uitgevoerd door heiligen.

Iconen komen  voor in het Oosters Orthodoxe Christendom waartoe de Russische kerk behoort en zijn voorzien van gestileerde portretten en een afgeplat perspectief. Icoonschilderen gaat volgens strakke regels.

Andrei Rublev (c. 1360 – c. 1430), The Trinity

Icoonschilderen
Deze film toont de icoon-schilderstudio van het klooster St. Elisabeth werd opgericht in 1999. In de vijftien jaar van haar bestaan heeft de  studio iconen voor kerken over de hele wereld geschilderd. De icoon-schilders volgen de stijl en voorschriften van Byzantijnse en Russische kunstenaars van de XII – XV eeuw en gebruiken oude technieken voor het schilderen van iconen.

De verlichting
Religieuze kunst domineerde Rusische kunst eeuwen. De productie van seculiere kunst werd ontmoedigd. Sommige kunstenaars, zoals Simon Ushakov (1626-1686) verzetten zich hiertegen en maakten werk beïnvloed door de iconen maar met afbeeldingen van niet-religieuze onderwerpen. Alles veranderde toen tsaar Peter de Grote (1672-1725) met een programma van meer op het Westen gerichte Russische cultuur begon om de kunst op die van Europa te laten lijken. In die tijd is het neoclassicisme hier de heersende stijl.  Veel Russische werken uit de achttiende en vroege negentiende eeuw hebben die kenmerken. Historische, Bijbelse en klassieke (Griekse en Romeinse) onderwerpen waren populair onder kunstenaars als Anton Losenko (1737-1773). Russische kunstenaars zoals Ivan Nikitin (circa 1688-1741) en Dmitry Levitsky (1735-1822) maakten portretten in de academische stijl die de idealisering van de onderwerpen benadrukten. Met de Russian Academy of Arts, opgericht in het midden van de achttiende eeuw, werd Russische kunst gecentraliseerd en werden kunstenaars opgeleid in het maken van werken die voldeden aan de verwachtingen van academische en neoklassieke kunst.

De negentiende eeuw en realisme
Het is niet vreemd dat Russische kunstenaars zich vanaf de negentiende eeuw begonnen te vervelen met de strikte richtlijnen en het beperkte onderwerpkeuze die door de Academie werden voorgeschreven. Een groep kunstenaars (als groep bekend onder de naam de Zwerver, Peredvizhniki) gingen werk maken met meer typische Russische onderwerpen in plaats van westerse onderwerpen te imiteren. Ivan Shishkin (1832-1898) en Ilya Repin (1844-1930) waren twee van de belangrijkste kunstenaars Repin schilderde scènes het Russische leven en de geschiedenis, zoals zijn beroemde werk dat het gewelddadige moment laat zien waarop de zestiende-eeuwse tsaar Ivan de Verschrikkelijke zijn zoon vermoordde.

Modernisme
Met het aanbreken van de 20e eeuw onderging Rusland grote veranderingen; de revolutie van 1917, een burgeroorlog en de oprichting van de Sovjetunie (USSR). De Russische kunst reageerde. Zij werd meer en meer experimenteel en avant-gardistisch.  Kunstenaars als Wassily Kandinsky (1866-1944) en Marc Chagall (1887-1985) werkten in zowel Rusland als Europa. Chagall produceerde werken in verschillende technieken die de invloed van het volksleven en de joodse cultuur laat zien. Kandinsky produceerde enkele van de eerste belangrijke abstracte en niet-objectieve werken, waardoor kunst werd bevrijd van de noodzaak om realistisch te zijn.

Na de perestrojka veranderde er voor de non-conformisten niet zo heel veel. Hun reis- en afzetmogelijkheden werden zeker vergroot. Met de godsdienstige opleving ging de restauratie van oude kerken gepaard. Religieuzekunst bloeit als nooit tevoren.
In principe mag alles weer. Maar of abstracte kunst en figuratieve kunst (zg. salonkunst) evenzeer gewaardeerd wordt is een andere vraag.

 


Russian Art
Russian art shows a great diversity of styles, subjects, and techniques. This lesson will describe some of the key movements within Russian art of the past several centuries and identify some of the major artists associated with them.

Early Russian Art
If all that comes to mind when you think of Russian art are those little nesting dolls (matryoshka dolls) and onion-domed churches, you’re in for a surprise. Russian art is every bit as diverse and interesting as its counterparts around the world.

One of the greatest impacts Russian art has made on world culture developed very early. Around 988, Russia converted from a pagan religion to Christianity, and its artists soon became masters of a form known as the icon. No, this doesn’t mean the little file folder pictures on your computer desktop. Religious icons are portraits of Jesus Christ, Christian saints, and other major figures. Other icons depict events like the birth of Christ or miracles performed by saints.

Icons are common in Eastern Orthodox Christianity (to which the Russian church belongs), and feature stylized portraits and flattened perspective, as you can see in a work by one of the most important Russian icon painters, Andrei Rublev (c. 1360 – c. 1430), The Trinity

Andrei Rublev (c. 1360 – c. 1430), The Trinity

The Enlightenment and Westernization
Religious art dominated in Russia for many centuries. Leaders even discouraged the production of secular art. Some artists, like Simon Ushakov (1626-1686) resisted this, however, and made work influenced by the icon style but depicting non-religious subjects. Everything changed when Tsar Peter the Great (1672-1725) began a program of westernizing Russian culture to make it more similar to Europe’s. The reigning style in Europe at the time was Neoclassicism, so many Russian works in the eighteenth and early nineteenth centuries share its characteristics. Historical, Biblical, and classical (Greek and Roman) subjects were popular among artists like Anton Losenko (1737-1773). Russian artists like Ivan Nikitin (c. 1688-1741) and Dmitry Levitsky (1735-1822) also produced masterful portraits in the academic style, which stressed realistic techniques and the idealization of its subjects. The Russian Academy of Arts, founded in the middle of the eighteenth century, helped to centralize Russian art and produce artists skilled at producing works that matched the expectations of academic and Neoclassical art.

The Nineteenth Century and Realism
Artists can be rebellious, so it’s no surprise that by the nineteenth century, Russian artists began to get bored with the strict guidelines and limited subject matter dictated by academic and Neoclassical art. A group of artists known as the Wanderers (Peredvizhniki) produced works depicting more familiar, native Russian subjects rather than ones imitating Western models. Ivan Shishkin (1832-1898) and Ilya Repin (1844-1930) were two of its most important artists. Shishkin’s Morning in a Pine Forest (1878) shows the realist style that these artists captured.

Repin also depicted scenes related to Russian life and history, such as his famous work showing the violent moment when the sixteenth-century Tsar Ivan the Terrible murdered his son.

Modernism
As the twentieth century dawned, Russia underwent major changes, including the 1917 revolution, a civil war, and the founding of the Soviet Union (USSR). Russian art responded to these tumultuous events by becoming more experimental and avant-garde, like other Modernist movements around the world. Some artists, like Wassily Kandinsky (1866-1944) and Marc Chagall (1887-1985) worked in both Russian lands and Europe. Chagall produced works in a variety of media that show the influence of folk life and Jewish culture, and used vibrant colors and an imaginative, often dream-like style. Kandinsky produced some of the first significant abstract and non-objective works, freeing art from the need to be realistic or even depict recognizable subjects.

The Futurist movement prevalent in nations like Italy also strongly influenced Russian artists like Alexander Rodchenko (1891-1956) and Natalia Goncharova (1881-1962). Russian artists of this movement emphasized boldness of design, angular shapes, and modern themes, as you can see in Rodchenko’s famous photomontages, or Goncharova’s painting The Cyclist (1913)

After the perestroika, the non-conformists did not change that much. Their travel and sales opportunities were certainly increased. The restoration of old churches was accompanied by the religious revival. Religious art flourishes like never before. In principle, everything is allowed again. But if abstract art and figurative art (so-called salon art) is equally valued is another question.

The icon-painting studio of St. Elisabeth Convent was established in 1999.In the fifteen years of its existence, the icon-painting studio has painted icons for churches throughout the world. The icon-painters follow in the footsteps of Byzantine and Russian artists of the XII – XV centuries and use ancient icon painting techniques.

 

 

 

 

Natura Morta

Willem Fornier

Stilleven.  Olieverf op linnen, 40/50 cm

Willem Fornier is een schilder van het stilleven. Zijn schijnbaar simpele doeken zijn het resultaat van weken zoeken naar de juiste compositie en kleurstelling. Laag na laag wordt het doek opgebouwd en steeds veranderd. Die diversiteit in lagen zorgt voor een prachtig gevoede huid. In dit stilleven is gekozen om met zo min mogelijk kleur een doek rijk aan schakeringen opgezet. De prachtige violette schaduw onder het stilleven komt subtiel terug in de onderwerpen. Consequent is de in vlekken opgezette penseelvoering aangehouden. Ik vind dit schilderij het beste doek wat ik van hem ken.

Met dit doek is een sprong naar de grootmeester van het stilleven, Giorgio Morandi voor de hand liggend.


Het stilleven
Het begrip stilleven (Natura Morte) betekent eigenlijk het schilderen van stille (niet levende) voorwerpen naar de realiteit.  Dode voorwerpen (stil) naar de realiteit (leven) De term werd rond 1700  door Nederlander Houbraken  geïntroduceerd.
Schilderingen die op stillevens lijken, waren al gebruikelijk in de schilderkunst van de late oudheid. Als zelfstandig genre kon het stilleven zich pas in de late renaissance ontwikkelen. Vooral in de Nederlanden ontwikkelde zich vanaf de 17de eeuw een veelzijdig gevarieerde stillevens- schilderkunst, bijv. het bloemenstilleven (A. Bosschaert, J. Davidsz de Heem, F. Snyders), het tafelstilleven (P. Claesz, W. Claesz Heda, J. van de velde, W. Kalf), het jachtstuk alsook de stillevens van taarten en vruchten.
In Leiden ontstonden de eerste stillevens die zinnebeelden van de vergankelijkheid voorstelden, geaccentueerd door de vaak gebruikte beeldobjecten schedel en kaarsen (de allegorische stillevens van het `memento mori`).
De eerste stillevens werden gekenmerkt door de interesse voor de afbeelding en de weergave van stofkwaliteiten, de late stillevens van de 18de, 19de en 20ste eeuw versterken de formele vormgeving in het middelpunt, zoals bijv. bij Cézanne de kubistische experimenten, bij Matisse de kleurencomposities e.d. De bekendste stillevenschilder uit de 20e eeuw was de Italiaan Giorgio Morandi.


Pittura metafisica

Deze stroming werd in 1917 in Italië door De Chirico en Carrá opgericht. De naam betekent ‘metafysische schilderkunst’ . Het werk van deze schilders wordt gekenmerkt door een vertekend perspectief , onnatuurlijke belichting en vreemde beelden , waarbij kleermakerspoppen en standbeelden dikwijls de plaats innemen van mensen van vlees en bloed.
Door bepaalde voorwerpen in een onwaarschijnlijke samenhang te plaatsen wilden de metafysische schilders een soort magische droomsfeer creëren. Wat dat aangaat heeft de beweging veel gemeen met het surrealisme , zij het dat de metafysici veel meer dan de surrealisten gefixeerd waren op een strakke compositie en een lichtval zoals architecten die gebruiken om hun ontwerpen goed uit te laten komen.

Tekenachtig schilderwerk, niet geheel kloppende perspectieven, hang naar het (klassieke ) verleden, lange slagschaduwen. Schilders raken gevoelig voor het verbeelden van sferen, stemmingen en melancholie. Men verdiept zich in filosofieën zoals die van Nietzsche.

Vanaf 1918 ging ook Giorgio Morandi de weg op van de soberheid en de zuiverheid. De stroming bestond maar kort. Zij eindigde in 1920.

Natura morta, Giorgio Morandi, een doek uit de periode van de Pittura Metaficica

 


Giorgio Morandi
De Italiaanse kunstenaar Giorgio Morandi (1890-1964) is de grootmeester van de twintigste eeuwse stillevenkunst. Met zijn subtiel geschilderde vazen, potjes en flessen groeide hij – ondanks die schijnbaar eenvoudige thematiek – uit tot een icoon. De tijdloosheid en verstilling in Morandi’s schilderijen, spreken ook veel collega-kunstenaars aan. Niet voor niets wordt hij een painter’s painter genoemd, een voorbeeld voor andere schilders. Een fantastische schilder.

Morandi leidde een teruggetrokken bestaan in zijn geboorteplaats Bologna. Hij leefde samen met zijn drie ongehuwde zussen en verliet de stad zelden. Het liefst was hij in de beslotenheid van zijn sobere atelier te vinden. Die studio was een kamer met slechts één raam dat uitkeek op een binnenplaats. Hier sliep hij, had hij een tekentafel, een boekenkastje, zijn ezel en langs de wanden planken vol alledaagse objecten. Hier vond hij ook zijn ‘modellen’; de kruikjes en potten die vereeuwigd werden in steeds wisselende samenstellingen. Morandi kon voor hij een schilderij maakte dagen lang zijn stillevens rangschikken en bekijken.
Heel even maakt Morandi deel uit van de Pittura Metafisica, na die periode is zijn werk in geen enkel “-isme”meer te vatten.

Het atelier van Morandi is ondergebracht in het museum Museo Morandi. Dagelijks komen daar schoolklassen en mag er worden geraden hoeveel potjes er in het atelier staan.

Natura morta 1951, Giorgio Morandi. Olieverf op doek.

 

 

 

 

 

 

De gewassen tekening

Ingrid Nieuwpoort Gerse

Stilleven met apothekerspotten, rietpen, gewassen tekening in sepia.

Onderdeel van de Introductiecursus is de gewassen tekening. Met rietpen wordt de tekening opgezet waarna deze, waar nodig met verdunde inkt gewassen wordt. Ingrid had het stilleven met bruine apothekerspotten. Het tekenen met rietpen geeft altijd een ander resultaat dan verwacht. De pen is weerbarstig, doet zelden wat je wilt en heeft een lijnvoering die in het begin veel sterker is dan wanneer de pen leeg raakt. Het is met name de lijnvoering waar Ingrid ongelooflijk goed is uitgekomen. Heel trefzeker werd de tekening in lijn en arcering opgebouwd. Let vooral eens op de arcering in de twee rechter bloempotten. Met minimale middelen werden de potten neergezet. Een kleine wassing voltooide deze tekening.


De gewassen tekening als studie
Tekenen met pen (of penseel) en inkt wordt al eeuwen gedaan. Van oorsprong was het een techniek uit het verre Oosten waar zwart krijt met water werd gewassen. Er werd met zwart krijt een tekening gemaakt, met een penseel en water werd deze tekening bewerkt, gewassen. Uit het krijt ontstond het geperste blokje zwarte Chinese inkt (tuche) waar in de Introductiecursus ook mee wordt gewerkt.

In Europa kennen wij de techniek vanaf de 16e eeuw. Een gewassen tekening was hier in Europa eigenlijk niet meer dan een toonstudie voor een schilderij. In één kleur, bister of sepia werd de tekening opgezet en werden de tonen (grijswaardes) in de tekening gewassen. Zo kreeg je snel een beeld hoe het schilderij  er uit kwam te zien. Tegenwoordig wordt de techniek als zelfstandig medium gebruikt.

Sepia is genoemd naar de inktvis, sepia in het Italiaans. De inkt van de vis had de donkerbruine kleur en werd gebruikt om te tekenen. Bister werd gemaakt van verbrandde schellak, gemalen bast van walnoten en wat Arabische gom.

Toonwaarde
De toonwaarde van een kleur laat zien hoe licht of hoe donker de kleur is ten opzichte van zijn omgeving.
Het beste beste manier om dit te bepalen is als je door je oogharen naar de kleur kijkt. Probeer,  terwijl je door je oogharen kijkt,  je af te vragen of de kleur donker of licht is. Als je de kleur zou vertalen naar grijswaarden, zou je dan kiezen voor bijna wit, lichtgrijs, middelgrijs, donkergrijs of zwart. Dit is een goede methode om de toonwaarde van een kleur vast te stellen. Kleur en toon hebben alles met elkaar te maken maar zijn twee aparte dingen.

Rembrandt, de Staalmeesters en één van de studies.
De Staalmeesters (echte naam: De waardijns van het Amsterdamse lakenbereidersgilde) is een groepsportret van vijf heren van het Amsterdamse lakengilde die instonden voor de keuring van het laken, en hun bediende. Het zijn niet de regenten van het gilde, maar de waardijns: twee katholieken, een doopsgezinde, een remonstrant en een gereformeerde. Van links naar rechts: Jacob van Loon (1595-1674), Volckert Jansz. (1605-1681), Willem van Doeyenburg (1616-1687), Jochem de Neve (1629-1681) en Aernout van der Meye (1625-1681). Op de achtergrond in het midden, zonder hoed, staat hun bediende, Frans Hendricksz. Bel (1629-1701). Bel had de dienstwoning tot zijn beschikking en sleet zijn leven in het Staalhof.

Hieronder het schilderij (1662, collectie Rijksmuseum Amsterdam) en een gewassen tekening als studie van één van de staalmeesters.  Het gaat hier om de tweede man, de man met de hoed, Volkert Janszoon. De tekening (1662) is uit de collectie Museum Boijmans van Beuningen.

 

 

 

 

De Romantiek

Henry Jelsma

Eik. Lijnets, suikeraquatint.

Henry Jelsma is een romanticus. Gewapend met schetsboek en potlood trekt hij door Den Haag en Engeland op zoek naar bijzondere bomen. Vindt hij zo’n boom dan wordt deze in een serie schetsen vastgelegd. Eén van die schetsen, een eik, werd uitgewerkt in de etstechniek. Jelsma tekent naar waarneming en schaaft net zo lang aan zijn etsplaten tot er een mooi in lijn en contrast opgebouwde ets ontstaat. De lijnets wordt eigenlijk altijd aangevuld met de door Hercules Segers ontwikkelde suikerwater techniek. Bij deze techniek, waar met een verzadigde suikeroplossing op de plaat wordt gewerkt, ontstaat een schilderachtig beeld.

De werken van Jelsma brengen ons terug in de dagen van de Romantiek.


Romantiek

De romantiek valt het best te omschrijven als een geesteshouding die zich ontwikkelde tegen het eind van de 18e eeuw en tot het midden van de 19e eeuw zeer invloedrijk was. Ze had een enorme invloed op beeldende kunst, muziek en literatuur. Als reactie op het rationalisme staat het gevoel centraal, vaak gepaard aan een geïdealiseerd verleden, geromantiseerde oorden en verlangen naar de eeuwigheid en of de natuur. Het menselijke bestaan wordt volgens de schilders uit de Romantiek gedomineerd door ongrijpbare en onverklaarbare bronnen, zoals religie en het onbewuste. Dergelijke onderwerpen maken dan ook vaak deel uit van de kunst. Bekende schilders die tot de romantiek worden gerekend zijn: Friedrich, Delacriox, Géricault, Blake en Goya.

De bekende Duitse Romantische schilder Caspar David Friedrich is voor Jelsma een belangrijke inspiratiebron.


Romantische schilderkunst in Nederland

De Nederlandse schilderkunst uit de eerste helft van de negentiende eeuw staat  te boek als de tijd van de romantiek. Toch vond zij slechts in beperkte mate aansluiting bij de grote romantische beweging die zich voltrok in Duitsland, Engeland en Frankrijk: geen heroïsche historische taferelen, geen grootse gebergten, exotische fantasieën of huiveringwekkende emoties. Niettemin is bij de Nederlandse kunstschilders uit die tijd wel degelijk sprake van een romantische instelling, in de zin dat ze de eigen schoonheidservaring boven een klassiek ideaalbeeld stelden, maar zonder het grootse gebaar. De Nederlandse romantiek dan ook veel bescheidener, bijna onderhuids, atmosferisch en in zekere zin wel sentimenteel te noemen. Uit de meeste werken sprak een grote sensibiliteit voor de natuur en een sterk gevoel voor de nationale traditie van de marine- en landschapschilderkunst, waarmee meteen het belangrijkste thema is benoemd. De nostalgie overheerste, destijds hedendaagse elementen, die bijvoorbeeld herinneren aan de tijd van de opkomende industrie, ontbraken nagenoeg geheel

Net als in de zeventiende eeuw gingen kunstschilders vaak op studiereis naar het buitenland, vaak naar Italië of het Duitse laaggebergte. Ook Parijs was als studiestad in trek. In de jaren 1830 trokken Bosboom en Nuijen naar de Franse hoofdstad om hun horizon te verbreden, Ondanks dat Nuijen, Bosboom en Scheffer onmiskenbaar invloed hadden op een nieuwe generatie Nederlandse kunstschilders, bleef de schilderkunst in hun vaderland sober, met een sterke realistische inslag. Rond 1850 liep ze naadloos over in de traditie van de Haagse School.


De Haagse School

Haagse School‘ is een benaming voor een groep kunstschilders die tussen 1860 en 1890 in Den Haag en omgeving werkten. Bekende schilders van de Haagse School zijn Jozef Israëls, Anton Mauve, Johan Hendrik Weissenbruch, Hendrik Willem Mesdag, Théophile de Bock en Jacob Maris. Ze zetten zich af tegen de behoudende stijlopvatting die werd onderwezen aan de kunstacademies.

Terwijl traditioneel werkende schilders uit hun tijd het geschilderde onderwerp idealiserend weergaven, probeerden zij juist een meer realistische weergave van de werkelijkheid te geven. In 1847 was Johan Hendrik Weissenbruch één van de oprichters van het Schilderkunstige Genootschap Pulchri Studio, waaruit later de Haagse School ontstond. Criticus Jacob van Santen Kolff vermeldde in 1875 in het tijdschrift De Banier voor het eerst de naam Haagse School in zijn artikel ‘Een blik in de Hollandsche schilderkunst onzer dagen’.


Pulchri Studio

Aan één van de mooiste lanen van Europa, het Lange Voorhout te Den Haag, ligt het gebouw van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio. De in 1847 opgerichte vereniging is met haar 7 expositiezalen nog steeds het kloppend hart van het kunstleven in Den Haag. De jaarlijkse ledententoonstellingen (Voorjaar- en Najaarsalon) geven een mooi beeld van het hedendaagse kunstaanbod. Het is een vereniging van en voor kunstenaars. Jarenlang heb ik zelf in diverse besturen van het Genootschap gezeten. Pulchri is echt mijn club.

De historie van Pulchri is  op de website van het Genootschap te lezen.

Het Orphisme

Carla Hofkes

Schilderen is voor Carla Hofkes een zoektocht met penselen over doek en papier. Zonder een vast omlijnd uitgangspunt vinden haar penselen een weg in een schilderswereld waar de uitkomst vooraf niet bekend is. Carla verandert haar doeken constant en zoekt laag over laag naar een vormentaal die past bij het moment,. Het werk is intuïtief en vaak melancholisch van expressie.

In dit werk is gebruikt gemaakt van verf en papier welke als materie op de drager werden gemonteerd. Door die te bewerken ontstaat een  nieuwe, onverwachte vormentaal. Een rationele analyse van haar werk maakt Hofkes niet, schilderen is voor haar (net als bij Chagall) een intuïtief proces. Het hier getoonde werk heeft literaire verwijzingen, er lijken dieren te lopen. Ander werk van Hofkes is minder concreet, heeft minder verwijzingen naar het bestaande. Ze zijn wat abstracter.

Carla Hofkes balanceert op de grens van de figuratie en het abstracte.


Het Orphisme

De basis van de abstracte kunst ligt in de kleur- en lichtstudies van de impressionisten.  De allereerste creaties naar de abstractie toe werden, in de periode 1904 en 1906, gemaakt door  Paul Cézanne.  Een belangrijke pionier was ook de de pointillist Georges Seurat  in zijn zoektocht naar een andere/nieuwe manier van het beeldend vormgeven van de waargenomen werkelijkheid. De moderne kunst ontwikkelde zich snel, stroming na stroming volgde elkaar op. Het kubisme was de opstap naar de abstracte kunst. Opstap, wat de overgangsvorm van kubisme naar abstracte kunst was het Orphisme.

In het Orphisme (De naam is ontleend aan Orfheus, een Griekse mythologische figuur die symbool staat voor poëtisch, lyrisch) worden composities opgebouwd uit elementen die niet aan de zichtbare wereld zijn ontleend, maar uit de fantasie van de kunstenaar voortkomen en door hem bezield worden tot volkomen werkelij-heid. De term werd in 1913 geïntroduceerd door de  Franse dichter Guillaume Apollinaire om een abstracte schilderstijl mee aan te duiden die streefde naar een pure, muzikale, lyrische schoonheidsbeleving die uitsluitend door de werking van kleuren wordt teweeggebracht en door Apollinaire werd beschouwd als een nieuwe vorm van abstracte kunst dat zijn idioom niet aan de werkelijkheid ontleende maar aan zijn eigen, onafhankelijke taal.

Delaunay beoefende deze vorm van schilderkunst. Hij was geïnteresseerd in het effect van verschillende kleuren op het doek en produceerde een reeks schilderijen waarin hij de emotionele uitwerking van onvervalst kleurgebruik verkende. Hij gebruikte Apollinaire’s term om samen met zijn vrouw Sonia Delaunay zijn ideeën uit te werken tot een heuse stroming onder deze naam. Alhoewel Apollinaire verbindingen legde met het werk van Fernand Léger, Francis Picabia, Marcel Duchamp, Kupka en enkele werken van is de term Orphisme uiteindelijk alleen op het werk van Delaunay en zijn vrouw Sonia van toepassing gebleven.

Robert Delaunay: Rythme, joie de vivre, 1930  Olie op doek, 200/228.
Sonia Delaunay: “Petite automne”, 1938.  Wandtapijt, 170,2 × 125,7 cm

 

 

 

 

 

 

 

De reis naar de abstractie

Daan Hinfelaar

“Stad in het woud”, aquarel

Daan schilderde een tijdje met acryl en maakte nog niet zo lang geleden de overstap naar de aquarel. Waar veel cursisten de aquareltechniek als moeilijker dan schilderen met acryl ervaren, voelt zij zich als een vis in het water. In bovenstaande aquarel zet zij een mooie compositie neer en gebruikt zij contrasten als vaste vormen tegenover vlekken en een grafisch element als lijnen tegenover de aquareltechniek.  De kleuren zijn in een mooi gamma opgezet. Het is een wat ingetogen blad geworden. Vanuit het realisme stapt Daan naar de abstractie.


De weg naar de abstractie, Piet Mondriaan

De bekendste Nederlandse pionier van de abstracte kunt is Piet Mondriaan (1872-1944). Wij kennen allemaal zijn rood-geel-blauwe schilderijen met horizontale en verticale zwarte lijnen, iconen van de moderne schilderkunst.  Deze schilderijen kwamen niet uit de lucht vallen, maar waren het eindpunt van een lange ontwikkeling. Die begon bij Picasso, en werd een handje geholpen door de kust van Domburg.

Het vroege werk van Mondriaan is  sterk gebaseerd op de waarneming naar de realiteit: hij schilderde wat hij zag . Geleidelijk schilderde hij steeds abstracter, totdat er alleen horizontale en verticale lijnen overblijven. Mondriaan verkocht niet veel. Hij leefde van zijn bloemstillevens. Sal Slijper, kunstverzamelaar en mecenas van Mondriaan was de enige die met regelmaat werk van hem kocht. Na zijn overlijden in 1971 schonk hij zijn Mondriaancollectie (ca 200 werken) aan het Haags Gemeentemuseum. Het Haags gemeentemuseum heeft dan ook een fantastisch overzicht van de ontwikkeling van Mondriaan.

In Den Haag hangen drie schilderijen van bomen die duidelijk verschillende fases van Mondriaans ontwikkeling tonen.

Het eerste doek, de rode boom uit 1908, laat nog een boom zien.

In het tweede schilderij, “De grijze boom” uit 1911, werkte Mondriaan zijn in ‘De rode boom’ gebruikte vormprincipes verder uit. Je ziet hier aparte beeldelementen verschijnen die met het verloop van de echte boom niets meer te maken hebben. Tussen de uitstralende krans van takken zijn lijnen en vegen geschilderd waarmee de kunstenaar klaarblijkelijk niets natuurlijks meer wil aanduiden. Het is zijn bedoeling je blik, die de boom anders gestaag zou aftasten, door de compositie te sturen. Behalve beweging heeft de voorstelling zo ook een nieuw soort evenwicht gekregen. De lijnen en vegen van de ‘Grijze boom’ staan helemaal los van de waarneming en vormen een eigen beeldwerkelijkheid. Op het moment dat Mondriaan dit werk maakte, gaf het hem kennelijk geen voldoening meer alleen te stileren. Vorm en restvorm krijgen beeldend dezelfde aandacht.

In het schilderij “Bloeiende appelboom”, 1912  ging hij nog een stap verder. In het doek laat de boom zich nauwelijks meer laat herkennen.

Bij abstracte kunst  is de werkelijkheid altijd nog onderdeel van het doek. er is dus altijd nog een literair, verwijzend iets. Abstract komt van het Latijnse woord abstráhere (weglaten). Mondriaan betekende veel voor de hedendaagse kunst. Zijn werk veranderde niet alleen de beeldende kunst maar speelde (via de Stijlgroep) een belangrijke factor in veranderingen in o.a. de bouwkunst en typografie.

Over Piet Mondriaan is veel te vertellen. In het jaar van de Stijl heeft het Het Haags Gemeentemuseum de ontwikkelingen van Mondriaan online gezet. Loop (met cursor)  door die site heen en een nieuwe wereld gaat open. Je vindt de site hier.

 


Non figuratieve kunst

Non figuratieve kunst gaat nog een stap verder dan de abstracte kunst. Een non figuratief werk heeft zich ontdaan van elke literaire betekenis of verwijzing. Het verwijst louter naar zichzelf.

De aquarel met bladgoud No.5068 van mijzelf is een goed voorbeeld van non figuratieve kunst. Omdat er geen enkele verwijzing meer is hebben de werken geen titel maar worden ze opeenvolgend genummerd.