De Gulden Snede

Ineke van Dijk, haar aquarel, compositie, Gulden Snede en de Regel van Derden.

Ineke van Dijk maakte onderstaande prachtige aquarel. Het is een hele blonde, lichte aquarel. Met weinig kleur weet zij een treffend beeld op te roepen. Het wit van de is, door weinig kleurgebruik mooi wit gebleven. De magnolia’s op de achtergrond zijn wat minder nadrukkelijk  geschilderd waardoor zij een achtergrondfunctie kregen.

Naast kleur speelt compositie een belangrijke rol. Ineke maakte gebruik van de driehoekscompositie. Een opbouw  waarbij het beeld in een denkbeeldige driehoek op het papier of doek te vangen is. Deze compositie levert over het algemeen een rustig beeld op.

Een goed overzicht van verschillende composities die in een schilderij gebruikt kunnen worden vindt u op  deze pagina.
In het werk past Ineke van Dijk ook een aantal principes van de Regel van Derden toe. Het uitleggen van deze Regel van Derden en Gulden Snede is moeilijk. Ik ga het proberen.


De compositie, Gulden Snede en Regel van Derden.

Kort door de bocht kan je zeggen dat de Regel van Derden een vereenvoudigde versie van de Gulden Snede is. Als ik op het atelier over de Gulden Snede praat bedoel ik meestal de Regel van Derden.

Eerst een stukje theorie:
De Gulden Snede, ook wel de goddelijke verhouding (sectio divina) genoemd, wordt door kunstenaars, wetenschappers en filosofen gezien als de ideale verhouding. In de afgelopen duizenden jaren is de Gulden Snede talloze malen opnieuw gevonden en beschreven.  In zijn boek “Elementen” beschreef de Griekse wiskundige Euclides de Gulden Snede als volgt: ‘Een recht lijnstuk wordt verdeeld in een uiterste en een middelste reden indien het gehele lijnstuk tot het grotere deel staat zoals het grotere deel tot het kleinere.’  Anders gezegd: De Gulden Snede is de verdeling van een lijnstuk in twee delen in een speciale verhouding, waarbij het grootste van de twee delen zich tot het kleinste verhoudt, zoals het gehele lijnstuk zich verhoudt tot de grootste. Zo, wellicht eerst een kop koffie, hierna wordt het makkelijker

In de wiskunde is De Gulden Snede een verhouding die wordt aangegeven met de Griekse letter phi: φ. Als je de verhouding uittekent in een rechthoek (zie afbeelding hieronder ) dan is de verhouding tussen AB en BC hetzelfde als de verhouding tussen BC en AC. In getallen staat φ gelijk aan (1+√5)/2 en is dus ongeveer 1.61803. De Gulden Snede is dus 1:1.61803.  In de praktijk van het atelier zou dat dus een paneel van 10 cm bij 16,2 cm worden of een afgeleide daarvan.

Ga je verder tekenen met deze verhoudingen dan krijg je het volgende beeld:

Het hele vlak kent de verhouding 1 : 1,618, de onderverdeling, groene vlak is: 1:1 en in het roze en blauwe vlak zie je de weer verhouding 1 ; 1,618 terugkomen. In de Mona Lisa is  de Gulden Snede volledig doorgerekend.

De vraag is of wij als schilders hier iets aan hebben.  Ja en nee. De rekenaars onder ons kunnen nu de Gulden Snede gaan berekenen (in mijn eigen, abstracte werk doe ik dit soms ), voor de niet rekenaars onder ons wordt opeens duidelijk waarom de schilders uit de Renaissance niet op die doeken in standaard formaten werkten. Dat had dus te maken met die Gulden Snede. Die is op de standaard formaat doeken niet uit te rekenen.  Op ateliers werd dus gerekend, de Gulden Snede ( in alle varianten) was op basis van de compositie.  Een mooie uitleg met voorbeelden vindt u hier.

Na de Renaissance werd de Gulden Snede minder populair. Emotie, beweging en dynamiek werden belangrijker dan evenwicht. Sterker zelfs, bij emotie kan  het toepassen van de Gulden Snede hinderlijk zijn.

Wie wel evenwicht in wijn werk wil hebben kan zijn toevlucht nemen tot de Regel van Derden. Tijdens mijn lessen noem ik dit altijd Gulden Snede, dat klopt dus niet. De  eenvoudigste manier is om je vlak opdelen in 9 gelijke vlakken.  Daarbinnen zet je de compositie neer. Op mijn PC paste ik de Regel van Derden toe op het werk van Ineke. Dan valt op dat de lampetkan precies in een lijn die op 1/3e van de zijkant staat staat. Dat zie je ook gebeuren in het glas. De middellijn van de ovaal staat op zo’n “derdelijn”. Dit soort relatief eenvoudige hulpmiddelen zorgen voor evenwicht in je werk.

 

 

Penselen repareren

Hoe repareer je een penseel? Je kent het wel, die ene penseel waar je zo lekker mee werkt gaat kapot. De bus (waar het haar in zit) laat los van de steel. Doodzonde. Lijm er in, goed aanduwen, maar helaas.

Eén manier om een penseel te repareren is om de penseel weer in elkaar te zetten en een nacht in het water leggen. Het hout van de steel neemt vocht op, zwelt op en je penseel lijkt weer als vanouds. Tot het warm wordt het hout weer krimpt en de bus wee los laat.

Een effectieve manier om je penseel te repareren is een krimpkous. Een krimpkous is een dunne, flexibele slang van polymeer plastic die de eigenschap heeft dat deze bij verhitting  in diameter krimpt. Die koop je bij een doe het zelf zaak in een zakje met allemaal verschillende formaten.

Je neemt de kous met de goede diameter, knipt hem op lengte en je stopt de bus en steel in de kous. Daarna maar je het haar nat en zet je een warme föhn op de krimpkous. Deze krimpt en je penseel zit weer als gegoten.

Losse bus en losse steel
Losse bus en losse steel

 

 

 

Een stukje krimpkous welk je op maat knipt

 

De bus schuif je in de krimpkous en daarna de steel. Haar nat maken om te beschermen tegen de warme föhn.

 

Föhn aan zetten, door de warmte krimpt de kous en is je penseel weer als vanouds.

Over doodverven en linialen.

Doodverf

Titiaan, Maria met Jezus. Deels in een 2e laag doodverf

Doodverf is een oud begrip in de schilderkunst. Het doodverven wordt nauwelijks meer toegepast. Over het begrip bestaan verschillende lezingen.  De boeken van Doerner, Schilderkunst (De ‘Doerner’ zoals dit klassieke handboek meestal wordt genoemd, is onder vakmensen al heel lang een begrip: zo zeer zelfs dat het als bijnaam ‘de bijbel van de kunstschilder’ kreeg) en Cennini, het handboek van de kunstenaar (dit boek wordt binnen de kunst- en restauratiewereld beschouwd als het standaardwerk op het gebied van de schildertechnieken. Praktisch alle studies die de schilderkunst en -techniek tot onderwerp hebben verwijzen naar Il Libro dell’ Arte als het oerboek.) geven geen uitsluitsel over het begrip doodverven.

Een eerste lezing is dat de ondertekening, een penseel- of krijttekening, werd gedoodverfd in schakeringen van grijsbruin en wit. Het aanbrengen van de laatste verflagen in kleur werd ‘opschilderen’ genoemd. Het bijwerken, de afsluitende fase, werd ‘nazien’ genoemd. Het doodverven beperkt zich bij deze lezing tot het maken van een grauwe onderschildering.

In het Schilder-boeck ,1604  (PDF De Nederlandse Bibliotheek, zoekterm dootverwen) van Carel van Mander staat onder andere de volgende tekst“Sprangher, die noyt hadde Historie geschildert, noch ghecopieert, vondt hem seer verleghen, hem ghelatende, niet te verstaen, gelijck hy oock de Fransche spraeck qualijck verstont, waerom den Meester een kist ontsloot, en langhder uyt dry Printen, segghene: maeckt een van dese Historien, doch uyt uwen gheest, en gaende uyt den winckel liet hem daer alleen. Sprangher schromende sach rontom, en siende eenighe Penneelen van den Meester gheschildert die seer slecht waren, begon moedt grijpen, makende een ordinantie op blaeu papier met kole en crijt, nae zijn ghewente, wesende een verrijsnis Christi, met den Graf-wachters daer by, begon te dootverwen: en also de daghen langh waren, liep niet lang aen, oft ten was opghedaen, tot groot beweghen van den Meester, welcken (als gheseyt is) was swack in de Const.”

Na het aanbrengen van de tekening met houtskool en krijt ging men pas over tot het doodverven. In de studie “Over kwaliteitsvoorschriften in het St. Lucasgilde; over ‘doodverf’” van Hessel Miedema vind ik dit weer terug. Het is dus duidelijk dat aan het het doodverven een stadium vooraf ging . Het doodverven is dus meer dan de grauwe onderschildering uit de eerste lezing.

Met ‘doodverven’ wordt dan ook bedoeld het bedekken van een onderschildering met een transparante laag witte verf. De grond- of onderschildering werd meestal in bruine verf (gebrande sienna) geschilderd. Deze wordt vervolgens ‘doodgeschilderd’ met wit, waar de grondschildering nog doorheen schemert. Daaroverheen worden in verschillende kleuren diverse transparante laagjes olieverf aangebracht. Het resultaat is een schilderij dat veel diepte en transparantie suggereert. na de doodverf werd het schilderij “opgeschilderd”

Carel van Mander geeft aan dat de doodverf in de zon moest drogen. Doodverf was dus olieverf, vaak over een onderschildering van tempera heen. Lukte een partij niet goed dan adviseerde van Mander een nieuwe laag doodverf aan te brengen.

Geraadpleegde literatuur:
Saskia Golda Willner: Rederijkersdromen en schildersdaden. De Italiaanse Levens in het Schilderboeck (1604) Karel van Mander (Dissertatie 2016)
Hessel Miedema: Over kwaliteitsvoorschriften in het St. Lucasgilde; over ‘doodverf’
Carel van Mander: Het Schilderboeck
Cennino Cennini: Het handboek van de kunstenaar ( Il Libro dell’ Arte )
Max Doerner: Schilderkunst, materiaal en techniek.


De liniaal
Merkwaardig om iets over te schrijven over een zo alledaags onderwerp als een liniaal, een latje met cijfers erop en dan kan je meten hoe groot iets is. Desondanks een klein artikel over de liniaal.
Wie de liniaal heeft uitgevonden is niet te zeggen.
De oudste liniaal werd ontdekt in de Indus-vallei in Lothal (momenteel in de staat Gujarat, een deelstaat in het westen van India) en zou dateren van 1500 voor JC.
De beschaving van de Indus-vallei ontwierp de liniaal omwille van geometrische redenen, om de grootte van mensen en gebouwen te meten. De liniaal was gemaakt van ivoor.

Onze linialen zijn van plastic of van metaal.
De plastic liniaal heeft aan de zijkant waar geen cijfers staan een opstaande rand, de zg inktrand. Dat randje is gemaakt om, wanneer je met een pen langs de liniaal een lijn trekt, de inkt niet onder de liniaal vloeit.

Langs een liniaal schilderen is eigenlijk onmogelijk, penselen zijn daar niet strak genoeg voor. Een schilderij afplakken om rechte lijnen te krijgen lukt alleen als je op een vlak paneel werkt. Het risico dat de verf op een doek uitloopt is groot.

Metalen liniaal
Bij de metalen liniaal zit aan de achterzijde een stalen gedeelte. Die zijde is gemaakt om langs de liniaal te kunnen snijden.  Snij je langs de voorzijde dan snij je regelmatig in het aluminium van de liniaal. Altijd langs de achterzijde snijden dus, die is daarvoor.

 

 

Confronterend naakt.

Tineke Slagter

Tineke Slagter is een echte colorist. Kleur is voor haar één van de meest essentiële bouwstenen voor een werk. Zij maakt in hoofdzaak aquarellen, portretten. Portretten die door het kleurgebruik afwijken van het traditionele. Daarmee neemt zij een risico, het risico dat een werk volledig uit de hand kan lopen. Het bovenstaande werk is geïnspireerd op het schilderij  “Venus van Urbino” van Titiaan. De aquarel liep vast, de kleuren klopten niet meer, de vormen werden ontkent.

Dan heb je twee keuzes: weggooien of het roer radicaal om. Tineke koos, en dat is knap, om het roer om te gooien. De aquarel werd uitgebreid met Oost-Indische inkt en acrylverf en het resultaat mag er zijn.

Een naakt in de schilderkunst is nu een normaal verschijnsel. Hoe anders is dit niet geweest.


Confronterende naakten.

Venus, Titiaan
Venus van Urbino, Titiaan

In 1538 schilderde Titiaan zijn beroemde Venus van Urbino, een mooie naakt dame die het publiek recht in de ogen kijkt. Dat was wat. Eeuwen na zijn voltooiing deed dit doek nog stof opwaaien. Zo schreef Mark Twain in 1880 nog hoe schunnig hij dit doek vindt. Een naakte dame hoort het publiek niet rechtstreeks aan te kijken. Doet zij dit wel dat is zij een courtisane (prachtig woord voor minnares), uiterst confronterend dus.
Vergelijk het doek maar eens met de Slapende Venus van Giorgione, de leermeester van Titiaan. Een doek wat naar alle waarschijnlijkheid door de dood van Giorgione, door Titiaan zelf is voltooid. Hoewel erotisch van ondertoon is het toch een stuk minder uitdagends dan de Venus van Titiaan zelf. Maar ook dit doek, waar een naakt zo werd afgebeeld was revolutionair. Door het vele betasten liep het onderlichaam schade op.

Slapende Venus, Giorgione

Een ander, confronterend naakt was de naakte Maja, van Goya (1746 – 1828) die vanwege dit schilderij voor de Spaanse Inquisitie moest verschijnen. Maja was de benaming voor een mooi meisje uit het volk. Een prachtig doek maar gevaarlijk in die tijd.

Maja, Goya

In 1863 schilderde Manet het doek Olympia. Hij baseerde zijn schilderij op de hier boven genoemde werken. Niet het naakt was hier choquerend, maar de zwarte kat op het voeteneind van het bed. De zwarte kat is het  symbool van prostitutie. De bloemen die worden aangeboden door de dienstmeid zijn waarschijnlijk een cadeau van een klant.

Olympia, Manet

Een doek waar de naakten wel voor beroering zorgden was Le déjeuner sur L’herbre, van Manet (1863). In het doek zien wij een deel van een gravure van Marcantonio Raimondi,  het Paris oordeel. Maar opvallender zijn de keurig geklede mannen en naakte vrouwen die de beschouwer direct aankeken.  De locatie is het Bois de Boulogne , DE plek voor prostitutie bij Parijs.

Le déjeuner sur L’herbre, Manet

 

Raimondi, Paris oordeel (detail) kopergravure

Het doek werd ingebracht voor de jaarlijkse Salon in Parijs. Dat het werd geweigerd mag duidelijk zijn. Samen met andere afgewezen werken werd het doek op gepresenteerd op de door de kunstenaars zelf georganiseerde Salon des Refusés , een salon die parallel liep aan de officiële Salon. De Salon des Refusés werd dat jaar beter bezocht dan de officiële Salon. Manet luidde met Le déjeuner sur L’herbre een nieuw tijdperk in; het Impressionisme.

De aanbidding van het Lam Gods

Jan van Eyck
Van 1 februari – 30 april vindt in het Museum voor Schone Kunsten te Gent de grootste Jan van Eyck-tentoonstelling ooit plaats; een unicum. Wereldwijd zijn er van deze Vlaamse meester slechts een twintigtal werken bewaard. Zeker de helft daarvan reist naar Gent. In het museum worden ze samengebracht met werk uit Van Eycks atelier en kopieën van intussen verdwenen schilderijen. De tentoonstelling wordt aangevuld met meer dan 100 topstukken uit de late middeleeuwen. Speciaal voor deze unieke tentoonstelling worden maar liefst 13 museumzalen volledig ingericht. Kaarten kunt u het best vooraf reserveren. U reserveert de toegangskaarten hier.

De aanbidding van het Lam Gods.

“De aanbidding van het Lam Gods”. Jan en Hubert van Eyck, 1432. Tempera en olieverf op paneel, ‎340 × 440 cm

Eén van de bekendste werken is “De aanbidding van het Lam Gods”. Het werk wordt momenteel gerestaureerd. De restauratie van de vier panelen van Het Lam Gods in Gent is gereed. De afgelopen drie jaar werden grote overschilderingen verwijderd waardoor nu voor het eerst in meer dan 400 jaar de authentieke schilderijen tevoorschijn komen zoals de gebroeders Van Eyck ze maakten. Begin 2020 start in Gent het Van Eyck-jaar. Vanaf dan zijn de vier panelen van Het Lam Gods weer in volle glorie te zien zijn in de Sint-Baafskathedraal. In winterperiode is de kathedraal geopend van 10.30 uur tot 16 uur. De andere gerestaureerde (buiten)panelen worden tentoongesteld in het Museum voor Schone Kunsten Gent.  Wie op zondag komt moet er rekening mee houden dat de kathedraal omwille van de religieuze diensten pas vanaf 13.00 uur te bezoeken is.

Het altaarstuk is genoemd naar het onderste middenpaneel, waar een lam door groepen engelen, martelaren, profeten en apostelen wordt vereerd. Alle aandacht wordt dan ook getrokken naar dit grote centrale paneel.

Middenpaneel “de aanbidding van het Lam Gods”

In een groen landschap speelt zich de hemelse liturgie af rond het Lam Gods, Jezus Christus. Centraal, op een kleine groene hoogte staat een altaar en op het altaar het Lam. Het Lam leeft maar het spuit bloed uit een wond in een kelk. De toespeling is duidelijk: in elke eucharistie worden op het altaar de dood en de verrijzenis van Christus herdacht. Het geheel vormt dan ook een verwijzing naar het Laatste Avondmaal, waarin Jezus zelf de wijn beschreef als Zijn bloed, voor alle mensen vergoten tot vergeving van de zonden.

Het altaarstuk was oorspronkelijk geschilderd voor de Vijdkapel van genoemde Sint Baafskathedraal. Om veiligheidsredenen verhuisde het naar de hoofdkapel van de kathedraal. De koopman Vijd en zijn echtgenote Lysbette Borluut waren begunstigers van de bouw en opdrachtgevers voor het altaarstuk. Op de achterzijde zijn beiden afgebeeld. Het altaarstuk werd op 6 mei 1432 ingehuldigd; dat is ook vermeld op de lijst, met de tekst “VersU seXta MaI . Vos CoLLoCat aCta tUerI”. De hoofdletters vormen een chronogram dat het jaartal aangeeft: V+V+X+M+I+V+C+L+L+C+C+V+I = 1432. Deze datum valt gelijk met de doop van één van de kinderen van Filips de Goede: Josse van Bourgondië.

In de nacht van 10 op 11 april 1934 verdwenen twee panelen uit het wereldberoemd altaarstuk. Beide panelen werden enkele weken later gebruikt om er de bisschop van Gent mee af te persen. Eén paneel, St. Jan de Doper wordt op 28 mei 1934 terugbezorgd. Het andere paneel, De Rechtvaardige Rechters is tot op heden spoorloos.
Gedurende de De Tweede Wereldoorlog was het stuk door de Duitse bezetter ondergebracht in het kasteel van Hendrik IV van Frankrijk in Pau, Frankrijk. In 1942 werd het meegenomen voor Hitlers geplande kunstencentrum te Linz. Op 8 mei 1945 vond het Derde Amerikaanse Leger het intacte veelluik terug in de zoutmijnen van Altaussee bij Salzburg.

Christelijke symboliek
De apostel Johannes betitelt Jezus Christus als het Lam Gods (Johannes 1:29,36, Openbaring 5-8). Dit thema verwijst naar de oude Joodse gewoonte om middels een zoenoffer het volk te bevrijden van zijn zonden. In de eucharistieviering in de Rooms-Katholieke Kerk worden kerkgangers daar nog wekelijks aan herinnerd wanneer het Agnus Dei wordt gezongen. In de kunst is het Agnus Dei de figuur van een lam dat een kruis draagt, symbool voor Jezus als Lam van God. Deze voorstelling wordt vaak gebruikt in christelijke kunstwerken, waarvan “De aanbidding van het Lam Gods” het beroemdste is.

Een beschrijving van het altaarstuk
Wie het werk wil begrijpen bekijkt op Youtube de uitleg over het altaarstuk. Aan de hand van de verschillende panelen wordt het werk uitgelegd. Een prachtige uitleg. De film duurt 4 minuten en mag u niet missen. U vindt de film hier.

De symboliek in het altaarstuk
Op deze pagina wordt, met foto’s van details, ingegaan op de symboliek in het altaarstuk

Het geopende atltaarstuk.  Als u de grote afbeelding opent kunt u het geopende altaarstuk volgen. Deze afbeelding is te vergoten.
Op de bovenste rij (de hemel):

  • Adam; daarboven het offer van Kaïn en Abel
  • zingende engelen
  • Maria
  • God op de troon
  • Johannes de Doper
  • musicerende engelen
  • Eva; daarboven de moord van Kaïn op Abel.

De blote Adam en Eva zijn voor zover bekend de eerste ‘naakten’ in de Vlaamse schilderkunst. Let op de rechtervoet van Adam: het lijkt alsof hij uit het schilderij stapt. Het trio Maria – God/Jezus – Johannes wordt aangeduid als Deesis, een oud Byzantijns thema.

De onderste panelen tonen aan weerszijden figuren die op weg zijn naar de aanbidding van het Lam:

  • de Rechtvaardige Rechters
  • de Ridders van Christus
  • de aanbidding van het Lam
  • de kluizenaars
  • de pelgrims op bedevaart.

Het gesloten altaarstuk. Als u de grote afbeelding opent kunt u het gesloten altaarstuk volgen. Ook deze afbeelding is te vergoten.

De onderste panelen, deels in grisaille geschilderd, tonen:

  • De schenker Joos Vijd
  • Johannes de Doper
  • Johannes de Evangelist
  • De vrouw van de schenker, Lysbette Borluut

Daarboven, verdeeld over vier panelen, de Annunciatie met aan de linkerkant de aartsengel Gabriël en aan de rechterkant de Heilige Maagd.

De bovenste panelen tonen:

  • De profeet Zacharia
  • De Sibille van Erythrae
  • De Sibille van Cumae
  • De profeet Micha

Een prachtige pagina vindt u hier. Het complete altaarluik voor, tijdens en na restauratie. Als u op één van de panelen klikt krijgt u het afzonderlijke paneel te zien. De afbeelding kan sterk worden vergroot.  In combinatie met een uitgebreide beschrijving van de afzonderlijke panelen, welke u hier treft, is het hele altaarstuk nogmaals goed te volgen.

De Vlaamse primitieven
De gebroeders van Eyck hoorden tot de Vlaamse Primitieven, ook wel de Noordelijke Renaissance. Deze kunststroming verwijst naar het begin van de Nederlandse en Vlaamse schilderkunst en omvat grofweg de kunstenaars die tussen 1400 en 1550 in de Nederlanden actief waren, een gebied dat Nederland, België, Luxemburg, het Noorden van Frankrijk en delen van Duitsland omvatte. De schilderkunst van de 15e en de vroege 16e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden is een stralend hoogtepunt in de kunstgeschiedenis. Het is een artistieke bloeiperiode die gekenmerkt wordt door een ver doorgedreven verfijning van de olieverftechniek en door de ijver om de zichtbare wereld op een zo gedetailleerd mogelijke wijze weer te geven. Ook in de religieuze beeldtaal of iconografie wordt dit realisme toegepast. De Vlaamse Primitieven benadrukken een ongeziene religieuze expressiviteit die een nieuwe traditie in de schilderkunst teweegbrengt. De opdrachten kwamen niet alleen van de verschillende hoven en de kerkelijke instellingen, maar ook van de steden en de burgerij. De schilder kreeg, voor het eerst, een zeer prominente plaats in de maatschappij. Door de contacten tussen Vlaanderen, Noord-Italië en andere regio’s op het oude continent, beïnvloedde deze typisch Vlaamse schilderkunst heel Europa.

De kunst der Vlaamse Primitieven is allerminst onbeholpen of gebrekkig, zoals dat woord suggereert. De naam “les primitifs flamands” of “Vlaamse Primitieven” vindt zijn oorsprong in de jaren 1840. In het begin van de 19e eeuw werden schilderijen uit deze periode onder de noemer “peintures gothiques” of “gotische schilderkunst” geplaatst. Maar deze term verdween onder de invloed van de romantiek die deze kunst herwaardeerde.

De grootste vernieuwing zat hem in het gebruik van olieverf over tempera waarmee je heel precies kon werken en waardoor prachtige kleurschakeringen ontstonden. Aan de grondslag van elk schilderij lag een aandachtige natuurwaarneming. Ieder detail (stofuitdrukking, kleur en lichtval) werd uiterst zorgvuldig en gedetailleerd opgebouwd. Aan het natuur- of architectonische kader besteedden de schilders evenveel zorg als aan de eigenlijke religieuze voorstelling. De Vlaamse Primitieven plaatsten hun figuren in de natuur of in een interieur en niet langer tegen een vlakke achtergrond. Van een tweedimensionale achtergrond maken figuren zich los door soepele, kunstzinnige modellering. De plastische vorm wordt scherp beëindigd met zware, donkere contouren, waarin overeenkomst merkbaar is met de loodranden van gebrandschilderde ramen. In sommige schilderijen is zelfs sprake van schaduw en reflectie.

Bekende schilders zijn:

  • Jan van Eyck
  • Hubert van Eyck
  • de Meester van Flémalle
  • Rogier van der Weyden
  • Dirk Bouts
  • Hans Memling
  •  Jeroen Bosch
  •  Gerard David
  • Fra Angelico
  • Hugo van der Goes.

Bronnen:
Statenvertaling online, Bijbel en kunst, Wikipedia, MSK Gent, Vlaamse Kunstcollectie, Kunstbus, Gemeente Gent, Kerknet, Atelier Jan Naezer

De vetkrijtmethode

Joanne Verweij

Schelp, Joanne Verweij, lijnets, aquatint, vetkrijt

Joanne Verweij maakte bovenstaande prent met een etsplaat waar aqauatint op aangebracht is waar vervolgens met een vet krijt de tekening op is aangebracht. Het resultaat is een krachtige zwart/wit ets met monumentale uitstraling.

De aquatint werd in het blok hiervoor uitgelegd. Bij de vetkrijtmethode teken je met een oliepastel op de aangebrachte aquatint. Omdat wij op zink werken en het zuur bij zink zowel rechtstandig als naar de zijkanten bijt is het verstandig de vetkrijttekening te verstreken met bitumen. Op een watje doe je de bitumen en die dep je langzaam op de tekening. Je verstrekt dan de tekening en deze kan dan langer te bijten.

Hercules Sehgers
Wie de vetkrijtmethode ontwikkelde is niet te achterhalen. Wel zijn er veel etsers die verder hebben willen kijken dan de de ets als reproductie-methode.

Boom, ets. Hercules Seghers.
Foto: René den Engelsman, Frans Pegt. Auteursrecht: Rijksmuseum Amsterdam
.


Hercules Segers (1589/90-c.1640) was een van de meest eigenzinnige 17de-eeuwse kunstenaars. Hij ontwikkelde de suikertint en schilderde en etste vooral bergachtige fantasielandschappen. Segers is beroemd geworden om zijn ‘gedrukte schilderijen’: beschilderde prenten of bedrukte doeken. Van zijn schilderijen is weinig meer over, in totaal 11 werken. Er bestaan nog 183 afdrukken van 54 etsen, die Segers allemaal verschillend heeft bewerkt. Hercules werd Haarlem geboren, in een Vlaams immigrantengezin. Hij ging in Amsterdam in de leer bij de Vlaamse schilder Gillis van Coninxloo en zijn werk past in de Vlaamse landschapstraditie. Al in de 17de eeuw was Segers’ werk zeer populair. Het beïnvloedde onder andere Rembrandt, die zelf acht werken van Segers bezat. Ook de stadhouder, Frederik Hendrik, en de Deense koning hadden werk van hem in hun collectie. Segers woonde in Haarlem, Leiden, Amsterdam, Utrecht en Den Haag, waar hij gestorven is.

Het Rijksmuseum en het Rembrandthuis in Amsterdam zijn beiden in het bezit van een curieuze prent, de vlucht naar Egypte van Rembrandt op een plaat van Seghers. Het is een afdruk van een koperplaat die door Sehgers was gemaakt. Rembrandt kreeg de plaat in handen en heeft een deel, het rechter deel, weggeschrapt en daar een eigen voorstelling op gemaakt.

De vlucht naar Egypte, ets. Rembrandt. Op de plaat van de ets Tobias en de engel van Hercules Seghers
Fotograaf onbekend. Auteursrecht: Rijksmuseum Amsterdam.
Tobias en de engel, ets. Hercules Sehgers
Fotograaf onbekend. Auteursrecht: Rijksmuseum Amsterdam.