Emma de Jong en de aquatint

Wat is een aquatint? Aan de hand van onderstaande ets van Emma de Jong wil ik ingaan op de aquatint.

De aquatint werd, ik schreef dit eerder,  ontwikkeld door  J.B. Le Prince, midden 18e eeuw. Goya werd er beroemd mee. Net als de lijnets hoort de aquatint tot de diepdruktechnieken. De geschiedenis van de techniek wordt hier beschreven. De aquatint wordt gebruikt om vlakken te maken. Dat zijn in hoofdzaak egale vlakken.

De ets van Emma de Jong is daarom zo bijzonder omdat het vlak niet als een egaal vlak werd gebeten maar verlopend. Onderaan zit een sterke, donkere partij, die naar boven toe naar een lichte partij verloopt. Dat is moeilijk en vergt aandacht. Het lukte niet om de toon in één keer te laten verlopen, op de plaat werden meerdere lagen aangebracht. Als eerste werd de voorstelling, de kandelaar gebeten. Daarna werd de aquatint aangebracht.

Naar aanleiding van haar prent wil ik iets dieper ingaan op de techniek van de aquatint.

 

Algemeen.
Om te beginnen; op het atelier wordt gewerkt met salpeterzuur. Salpeterzuur is een bijtend zuur. Het was al bekend aan de alchemisten onder de naam aqua fortis en was het meest gebruikte etsmiddel in de grafiek. De oude term aqua fortis is terug te vinden in veel talen; in het Frans (eau-forte), Italiaans (aquaforte).
Verder werken wij op zink, niet op koper. Je kunt de twee metalen niet in dezelfde bak bijten, dan slaat het zuur direct dood. De chemische reactie tussen salpeterzuur en zink is ZnO + 2HNO3 → Zn(NO3)2 + H2O. Bij het bijtproces komt een kleurloos gas vrij, NO, wat zich met zuurstof direct tot NO2 (stikstofdioxide) verbindt. Het gas komt als een belletje op de plaat te staan en daaronder gebeurt weinig. Met een veer veeg je de belletjes daarom met regelmaat weg.

Salpeterzuurdampen zijn, net als de meeste mediums voor schilderen, giftig.  Je moet ze niet inademen. In principe  kan met je handen de plaat wel uit het zuur halen (het zuur is sterk verdund, toch is het verstandig handschoen aan te trekken. Op het atelier staat het zuur is een zuurkast. De dampen worden via een afzuiger naar buiten afgevoerd.

 

De aquatintkast (stuifkast) op de gang bij het atelier.

Lijnets
Voor ik iets over de aquatint techniek schrijf, in het kort iets over de lijnets. De voorzijde van een metalen plaat (koper of zink) dek je af met een zuurbestendige laag waarin je kunt tekenen. Je kunt die laag in vaste vorm kopen, we spreken dan over een etsbol hard of in vloeibare vorm. Gebruik je de etsbol dan moet je deze smelten op de verwarmingsplaat en met een roller egaal over de plaat verdelen. Harde etsgrond smelt bij 90 graden Celsius. Gebruik je vloeibare etsgrond dan zet je de plaat onder een hoek van 60 graden voor je en strijk je met een zachte runderharen penseel de vloeibare grond op de plaat. Dat vergt ervaring, het is moeilijk een egale waslaag aan te brengen. Is de waslaag niet overal even dik, dan brokkelt de dikke etsgrond als je er in tekent. Vloeibare was heeft een paar uur nodig op te drogen en uit te harden.

Etsgrond bestaat uit asfalt, hars en was. De achterzijde dek je af met een zuurbestendige laklaag, spirituslak of de hierboven genoemde vloeibare was. Er komt een aparte pagina uitgelicht met recepten voor schilders en etsers.

Door de komst van het etsen in kopersulfaat is goede spirituslak is niet meer te koop. Er bestaat nog wel een blauwe spirituslak van Artools, maar deze is niet lang zuurbestendig. Op Marktplaats kwam ik 20 flessen spirituslak van van Ginkel en Bierens tegen, die staan nu op het atelier. Daarvoor maakte ik de lak zelf.

Zijn beide kanten afgedekt dan kan je met een etsnaald de tekening in de etsgrond aanbrengen. Daarbij hoeft je geen druk uit te oefenen, je hoeft alleen maar het metaal bloot te leggen. Het zuur of zout bijt te lijnen uit. Hoe langer een plaat in het etsbad ligt, hoe dieper de lijn. Dat is het hele principe.

 

Etsbol met harde etsgrond

 

Op de verwarmingsplaat smelt de etsbol en kan deze over de plaat worden uitgerold.

 

Aquatint.
Een andere diepdruktechniek is de aquatint. Om een aquatint op de plaat aan te brengen, wordt een hars, colofonhars, gebruikt. Wie een strijkinstrument bespeelt heeft een blokje hars om de strijkstok mee in te harsen. Dat is colofonhars in geperste vorm, wij gebruiken fijn gemalen hars.
Op de gang van het atelier staat een kast. Dat is de aquatintkast. Het is een stuifkast waar de hars in gaat stuiven als je aan de handel draait. Je legt de plaat in de kast en de hars verdeelt zich als een fijne stuif over de plaat. Vervolgens brand je de harskorrel vast op de plaat en dek je, met spirituslak, die delen af die je niet door het zuur wilt laten bijten. Als dat gebeurd is leg je de plaat in het salpeterzuur, laat hem bijten en maakt hem schoon met spiritus. Een lijnets kan uren duren, een aquatint bijt je in minuten (afhankelijk van de sterkte van het zuur). Wil je een diepe zwarte laag dan breng je, nadat je een eerste laag met harskorrels hebt aangebracht en gebeten, een nieuwe laag met harskorrels aan..

De harskorrels zijn zuurbestendig en vormen een raster over je plaat. Je kunt het vergelijken met een fotografisch raster. Als je op je plaat (en afdruk) witte partijen wilt hebben dan dek je deze direct met spirituslak af. Die partijen worden dus niet gebeten en blijven wit. Wil je een lichte toon dan bijt je kort, b.v. 15 seconden, wil je een donkere partij dan  bijt je langer door. Hieronder is een afdruk van twee proefplaatjes.

De bovenste reep is een handtoon, die strooi je met middels een potje met hars welke met een nylonkous is afgedekt, over je plaat. Je krijgt dan een schilderachtig effect. De onderste reep is een toon uit de aquatint kast die op de gang staat. Deze geeft een egale, zakelijke toon.

Als je de prent van Emma de Jong bekijkt dan zie je dat de aquatint, zonder dat deze tussendoor werd afgedekt van donker naar licht verloopt. De plaat werd  van onder naar boven, langzaam, met een vloeiende beweging in de zuurbak gelegd.  Dat is de reden dat de onderkant bij de afdruk donkerder is; de plaat is hier langer gebeten dan aan de bovenzijde.  Je “schommelt” de plaat langzaam n de bak, haalt hem er weer uit en “schommelt hem er weer in. Dat klinkt simpel maar valt reuze tegen om te doen.

Proefplaatjes met verschillende aquatinten en bijttijden.

 

Etsplaat in de stuifkast.

 

Met colofonhars bestoven plaat.

 

Harskorrels vastbranden, Het witte deel is nog los. Waar de brander zit is de korrel vast gesmolten. Doe dit niet te lang, dan smelt de plaat dicht.

 

De omgeving afdekken met spirituslak. Dit is niet de kandelaar van Emma de Jong maar een proefplaat.

 

Etsplaat in salpeterzuur. Met een veer veeg je de gasbelletjes weg.

 

Schoongemaakte plaat met de gebeten aquatint.

 

Detailopname van de gebeten aquatint. Dit is dus een sterk uitvergroot deel van de zinkplaat die hierboven staat.

 

Het drukken
Als de lijnen ver genoeg zijn uitgebeten maak je de plaat schoon en draai je te etsinkt in de diepe delen van de plaat. Is dat gedaan dan haal je de inkt weer van de plaat en zorg je ervoor dat de inkt alleen in de lijnen of vlakken, de diepe delen, blijft zitten. De verklaring voor de term diepdruk.

 

Etsinkt op de plaat aanbrengen.

 

Met tarlatan of papier wordt de inkt verwijderd.

Is de bovenkant schoon dan kan je de lijnets worden gedrukt. Voor elke afdruk moet de plaat opnieuw met ikt worden gevuld, “ingeïnkt” en worden schoongemaakt, “afgeslagen”. Daarna maakt je het plaatje met papier en de muis van de hand schoon. Op plekken die wit moeten worden mag geen inkt meer zitten.

De plaat wordt met een stukje papier vastgehouden en het laatste restje inkt wordt met vlak papier verwijderd.

 

Voor je alle handelingen verricht leg je een vel papier in schoon water. De vezels van het papier moeten uitzetten. Goed etspapier (Hahnemühle, Zerkall) wordt op een rondzeef vervaardigd.

 

Na enige tijd, ga uit van een minuut of 20, droog je het papier tussen een handdoek. Om te drukken moet het papier “zoendroog” zijn. Als je met je lippen het papier voelt (je vingers zijn te vies) dan mag het vochtig maar niet nat aanvoelen. Is papier te nat dan kunnen stukken papier aan de inkt op de plaat blijven kleven.

 

 

De etsplaat wordt op een schoon papier op de etspers gelegd. Daarover over het etspapier gelegd.

 

 

 

Het etspapier wordt over de etsplaat gelegd.

 

 

Door de pers naar de andere kant te draaien druk je de prent af. Het vilt op de pers zorgt ervoor dat de plaat in het papier wordt gedrukt.

 

 

Voorzichtig haal je het bedrukte papier van de plaat. Zoals een ieder ziet, je afdruk is spiegelbeeldig.

 

 

Marjon den Heijer

Wat is olieverf op waterbasis? Hoe werk ik met olieverf op waterbasis? Kan je met olieverf op op waterbasis net zo schilderen als met gewone olieverf? Vragen die ik regelmatig hoor.

Marjon den Heijer schilderde onderstaand schilderij met Cobra, de watervermengbare olieverf van Talens.

Golden retriever, Marjon den Heijer. Waterverdunbare olieverf op linnen.

Ik vind het een prachtig schilderij. De aandacht zit precies waar het moet zitten, op de kop. En hoe. Wat ik zelf heel erg mooi, maar ook knap vind, is dat het achterlijf heel mooi in de achtergrond wordt opgenomen.

Het was een worsteling, een hond in het verkort schilderen. Verkort of verkorting is een term  waarmee wordt aangeduid dat een lichaamsdeel of een ander voorwerp dat naar de kijker toewijst of daar vandaan gaat,  door de werking van het perspectief sterk wordt vertekend, korter wordt. Vandaar de tem verkort.

Als je de verkorting goed in beeld kan brengen, dan kan je het onderwerp realistisch in beeld brengen. Dat is Marjon uitstekend gelukt. Het lichaam van de hond kan je als een doos zien, een voorkant, twee zijkanten en een achterkant. Teken je die doos goed in perspectief dan is het lichaam daar goed in te plaatsen.

Los van het technische deel; je ziet dat het schilderij met liefde is geschilderd. De kop, die prachtige kleur die de tong heeft en de penseelvoering waarmee de stofuitdrukking van de haren is geschilderd; het klopt allemaal. Kortom, een heel goed schilderij. Ik begreep dat het doek geschilderd is als cadeau voor de eigenaar van de hond; naar mijn idee is dat een heel goed cadeau.

In onderstaande schets van Mauve zie je op de achtergrond hoe hij de koeien eerst in blokken opdeelt en ze dan pas uitwerkt. Een grotere foto vindt u hier

“Liggende koeien in een weiland”, Anton Mauve 1848. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Verf
Verf is in principe niet meer dan pigment met een bindmiddel. Wil je een goedkope verf maken dan gebruikt je minder pigment en voeg je een vulstof, veelal champagnekrijt, toe. Hoe goedkoper de verf, hoe slechter de kwaliteit. Op de traditionele olieverf na, is alle verf met water te vermengen. In plaats van pigmenten worden soms kleurstoffen gebruikt.

Pigmenten versus kleurstoffen.
Pigmenten zijn gekleurde poeders die niet oplossen in de vloeistof waarmee ze worden gemengd. Ze moeten worden gemalen en regelmatig in het (vloeibaar gemaakte) bindmiddel van de verf worden verdeeld. Eigenschappen van de verf zoals kleur, kleurkracht, dekkracht/transparantie en lichtechtheid worden bepaald door onder andere het type pigment.
Als een kleurgevende stof in een vloeistof oplost (uiteenvalt, zoals suiker in water), dan hebben wij te maken met een kleurstof.

Kleurstoffen.
De lichtechtheid van oplosbare kleurstoffen in verf of inkt is slecht tot matig. Ze worden daarom niet gebruikt in producten voor de kunstschilder. Een schilderij moet gezien kunnen worden en daar is licht voor nodig; de kleuren moeten dus duurzaam zijn. Kleurstoffen worden gebruikt in “hobbyproducten” als ecoline en de watervaste tekeninkten. De Oost Indische inkten verkleuren niet.

Een tweede nadeel van kleurstoffen is dat zij “bloeden”, de kleur dringt door andere verflagen heen of verspreidt zich in de directe omgeving.

Pigmenten
Van oudsher zijn pigmenten zijn vaak vernoemd naar hun vindplaats. zo kwam het pigment Utramarijn, het oude Lapis Lazuli van “over de zee”, (Ultra Marine). Hoe je lapis lazuli maakt, waarom je bij het maken hiervan moet uitkijken voor oude vrouwen lees je in dit artikel. Mocht iemand het zelf willen maken, hou er rekening mee dat het maken van lapis lazuli eerder “een bezigheid is voor mooie meisjes dan voor mannen” )IL libro dell’Arte, Cenninno Cennini (Sienna 1360? – Florence1427?).

Organische pigmenten zijn opgebouwd uit koolstofverbindingen. Voordat ze synthetisch geproduceerd werden, waren ze dikwijls van dierlijke en plantaardige herkomst. Voorbeelden van synthetische organische pigmenten zijn: alizarine, azo-pigmenten (het gele, oranje en rode kleurgebied), phtalocyanine (blauwe en groene kleurgebied) en quinacridone (een lichtecht roodviolet pigment).

Anorganische pigmenten (van minerale oorsprong) zijn metaalverbindingen, bijvoorbeeld oxides. In vergelijking met organische pigmenten is het aantal gering. Voorbeelden van natuurlijke anorganische pigmenten zijn ombers, okers en sienna’s als deze uit de aarde worden opgegraven. Pigmenten met dezelfde benamingen worden echter ook synthetisch geproduceerd. Andere voorbeelden van synthetische anorganische pigmenten zijn de cadmiumgelen, -oranjes en -roden, kobaltblauw en titaanwit.

Verlakte pigmenten zijn kleurstoffen die voor een bepaald vloeibaar bindmiddel of oplosmiddel onoplosbaar zijn gemaakt. Dit gebeurt langs chemische weg door de kleurstof neer te slaan op (te fixeren in) een voor het desbetreffende bindmiddel onoplosbare kleurloze stof (inert pigment). Ofschoon de lichtechtheid van de kleurstof hierdoor enigszins wordt verbeterd, blijft deze gering. Bovendien hebben ook verlakte pigmenten de bloedende eigenschap van kleurstoffen: de kleur dringt door andere verflagen heen of verspreidt zich in de directe omgeving.


Grotschildering
We kennen allemaal de grotschilderingen uit Lascaux.  De verf werd op verschillende manieren aangebracht: met de vingers en tenen in de rode leem gedoopt, met eenvoudige kwasten, maar ook werd de verf in de mond genomen en op de rotswand gespuwd. Spuug en leem waren de eerste bindmiddelen voor verf. Later werd dit toegepast in de fresco techniek. Verf wordt dan op een natte pleisterlaag aangebracht.

grotschildering Lascaux

Ei-tempera, vette ei tempera en de basis van de watervermengbareolieverf
De klassieke techniek van het schilderen met ei berust op het hard worden van het eiwit onder invloed van het (zon)licht. Het eigeel bevat meer van de chemische stof “eiwit” dan het “wit”. Eigeel bevat ook een ei-olie die een gedroogde en uitgeharde laag soepel houdt, belangrijk voor het behoud van ei als bindmiddel in verf.

Het eigeel wordt uit de dooierzak gehaald en met een beetje water (+/- 1 milliliter per dooier) losgeslagen. Pigment wordt met water tot een pasta gewreven. Pigmentpasta en eigeel worden om te beginnen in een volumeverhouding van 1 op 2 met elkaar vermengd. Elk pigment heeft voor een optimaal resultaat meer of minder eigeel nodig.  Wanneer de verf met een paletmes als een continue film van een glasplaat valt te halen is de verf geschikt voor gebruik. De klassieke methode van schilderen houdt in dat men de verf met water verdunt en met een bijna droge kwast in een streek opbrengt. In de zon is de verfstreek in enkele seconden uitgehard en kan een volgende laag worden opgebracht. Volgende lagen mengen zich niet met de vorige.

Het voordeel van de ei-tempera, de snelle droging, is ook een groot nadeel. In de loop van de schilderkunst werd aan de ei tempera wat olie toegevoegd. Daardoor droogde de verf langzamer, afhankelijk van de emulsie die je maakt kan dat wel eens een paar dagen duren. Voeg je standolie toe dan spreken we over een vette tempera; de basis van de watervermengbare olieverf.

Vette tempera
In deze verf zit eigeel, standolie, water en pigment. Eigeel bevat naast eiwit en ei-olie ook lecithine. Dit is een emulgator waarmee oliën tot wel zeven keer het volume van eigeel kunnen opnemen, terwijl het mengsel nog steeds met water te vermengen is . In feite hebben we bij gebruik van een drogende olie hier een oude vorm van watervermengbare olieverf.  Als olie kan lijnolie of standolie worden genomen. Voeg de standolie heel langzaam onder roeren toe aan het eigeel. De olie moet de tijd krijgen om fijnverdeeld in het waterige milieu van het eigeel te worden opgenomen. Voegt men met name in het begin de stand(lijn)olie te snel toe, dan wordt het water van het eigeel in fijne druppeltjes in de olie opgenomen. Dan is de emulsie mislukt. Degenen die ervaring hebben met mayonaise maken kennen ongetwijfeld dit verschijnsel.

Tempera werd als vaak als onderschildering toegepast. Daarna werd een dun laagje transparante olieverf aangebracht.

Olieverf
Sinds de zeventiende eeuw is het schilderen met olieverf de meest gebruikte techniek. In tegenstelling tot de andere schildertechnieken is het niet mogelijk eenduidige recepten te geven. De basis is het aanwrijven van pigment met een drogende olie, meestal lijnolie. Men verkrijgt dan een olieverfpasta waarmee nog niet altijd te schilderen valt. Men dient dan een schildermedium te gebruiken. Voor verdere uitleg over olieverf verwijs ik naar het artikel van Pieter Keune op de website van Verfmolen de Kat

Jan van Eyck was de eerste kunstschilder die op grote schaal olieverf ging gebruiken. Van Eyck ontdekte dat lijnzaadolie hem nieuwe mogelijkheden bood om de verf in hele dunne laagjes aan te brengen. Toch is Van Eijck niet de ontdekker van olieverf. In een grot in Afghanistan werden eind vorige eeuw schilderingen gevonden waarin walnootolie was gebruikt. De verf werd gedateerd op 650 voor Christus en zou dus de oudste olieverf ter wereld zijn. In het mengsel zaten ook allerlei andere bindmiddelen waaronder bijenwas.

Al in 12e eeuwse geschriften van Theophilus (‘Over verschillende kunsten’, 1125) staat een recept voor het maken van olieverf. Ook zijn er in kerken in Zweden Middeleeuwse beelden die al met olieverf geschilderd zijn. In een Noorse kerk in Tingelstad is een 13e eeuw altaarstuk dat geschilderd werd met olieverf. Ondanks dat de schilderingen primitief zijn, laat het zien dat olieverf, voor Jan van Eijck er mee begon te schilderen, in Scandinavië al werd gebruikt.

Tingelstad Altaar, olieverf op paneel, 13e eeuw

Caseïne-tempera
Naast ei tempera kennen we een caseïne-tempera. Caseïne is een eiwit wat uit melk wordt gehaald en heeft een goede hechtingskracht.
Een tijdje geleden werd een nieuwe tekening van van Gogh ontdekt. Deze tekening was gefixeerd met mengsel van melk en water. Het handboek van Doerner maakt wel melding van deze mogelijkheid maar vertelt er niet bij dat de caseïne uit de melk zorgt voor de hechting.

“Studie voor versleten Vincent van Gogh, 1882. Houtskool. Gefixeerd met melk

Medium W Schmincke

Zoekend naar informatie over met waterverdunbare verf kwam ik op de website van Gerstaecker het Medium W van Schmincke tegen. W moet voor water staan. Medium W blijkt een medium te zijn waarmee je”gewone” olieverf met water uit de kraan kunt verdunnen. Ik ken het zelf niet maar publiceer de recensie van Suzanne Glerum die het medium gebruikt.

“Na jarenlang olieverf met terpentine en soms wat lijnolie te hebben vermengd kreeg ik last van de dampen die bij gebruik van terpentine vrijkomen. Hoofdpijn, geïrriteerde ogen, rode huid — misschien herken je het wel.

Ik ben op zoek gegaan naar een ander medium en kwam uit bij MEDIUM W van Schmincke. Met dit medium maak je je olieverf wateroplosbaar. De olieverf wordt met een deel van dit medium en water — gewoon, uit de kraan — vermengd en wordt dan smeerbaar en smeuïg. Ideaal, want je hebt geen last meer van kwalijke dampen. De alla prima techniek — het nat-in-nat schilderen direct op het doek — leent zich er uitstekend voor. Maar dit medium is ook geschikt voor glacerende technieken waarbij je laag over laag aanbrengt.

En schoonmaken? Je kwasten smeer je uit in een doek en maak je daarna schoon met oliehoudende kernzeep van Da Vinci — eenvoudiger kan het niet!

Het medium versnelt enigszins de droging en droogt zijdeglanzend op. De hoeveelheid die je van MEDIUM W gebruikt hangt af van hoe je schildert, maar ik doop m’n kwast in water, smeert ‘m door het medium en daarna door de olieverf.

De een zal preciezer werken dan de ander, maar ik ben een alla prima schilder en smeer de kleuren door elkaar. Ik vind die viezige tinten juist mooi! Maar wanneer je dit niet wilt, dan zet je meerdere schoteltjes met MEDIUM W klaar en gebruik je voor elke kleur een andere kwast.

Ik gebruik nu al jaren geen terpentine meer en heb geen last meer van duizelingen of hoofdpijn. Ook voor het milieu is het trouwens beter geen terpentine te gebruiken.

Suzanne Glerum”

Watervermengbare olieverf
Schilderen met watervermengbare olieverf is in principe hetzelfde als schilderen met traditionele olieverf. Het is ideale verf voor alle olieverftechnieken zoals bijvoorbeeld gelaagd schilderen, alla prima,  en glacistechnieken. Je kunt ermee werken van grove tot zeer fijne structuren, en de verf is puur of gemengd met water en/of een medium te gebruiken. Dekkend of transparant, met penseel, paletmes, roller, kwast of spons opgebracht, alles is mogelijk. Na droging blijft de kleur en structuur van de olieverf onveranderd behouden. De olieverf is een olieverf die met water mengbaar is in plaats van gewone oplosmiddelen en ruikt daarom minder sterk chemisch dan gewone olieverf. Je hebt dus geen oplosmiddelen nodig zoals terpentijn of terpentine.
Dat is het belangrijkste verschil met traditionele olieverf. Je kunt watervermengbare olieverf bovendien ook wegwassen met water. Ook tijdens het schilderen kun je de verf verder verdunnen met water en je penselen kun je schoonmaken met water en zeep. Dit type olieverf is ideaal als je overgevoelig bent voor oplosmiddelen of ergens werkt waar deze niet toegestaan zijn. Terpentijn, terpentine en andere oplosmiddelen zijn namelijk niet alleen licht ontvlambaar maar kunnen ook irriterend zijn voor de longen, huid, ogen en bij inslikken.

Dat je met watervermengbare olieverf uitstekend kunt schilderen laat Marjon zien.

Bronnen: Verfmolen de Kat, Peter van Ginkel, Wikiwand, bronnenvankennis.nl, The fine art collective, Max Doerner schilderkunst, Labshop, Kunstvensters, Deva kunstenaarsmaterialen, IL libro dell’Arte, Cenninno Cennini.

Anne Schulte Nordholt

Beest, Anne Schulte Nordholt. Lijnets, aquatint, hoogdruk, plaattoon, zaging

Anne is geen alledaagse etser, noch in techniek, noch in onderwerpkeuze.  De kracht van deze prent zit niet alleen in het  merkwaardige beestje wat je aanstaart. Door een paar kleine ingrepen is de prent enorm sterk geworden. In bovenstaande prent werd de linkerkant (of naar believen, de rechterkant) los gezaagd. Verder zijn de etsplaten zowel verticaal als horizontaal iets te verschoven.  Door die ingrepen ontstaat dat hele indringende, verstilde beeld. In het witte vlak (dat is hier het papier), met nog de uitsparing in het zwarte vlak, staart het beest je aan. Een zeer krachtige prent.

De kracht van de prent zit onder andere in het geraffineerd gebruik maken van de contrasten zwart en wit. Kleuren versterken elkaar en een wit wordt helderder als je er een donkere toon tegenaan zet.

Ook haar etsen waar kleur in wordt toegevoegd zijn zeker de moeite waard om te bekijken. Tijdens de cursus etsen werden negen boeken met klassieke verhalen uit het oude Griekenland, Mesopotamië en Egypte gemaakt. In bijna alle boeken die de etsgroep maakten zit een prent van Anne.  De boeken zijn in alleen voor de mensen die er aan meewerkten, een aantal werd wel opgenomen in de openbare bibliotheken  van Voorburg en Den Haag.

Uit het boek Orpheus en Euridice

Lijnets, droge naald. Bron: Ovidius Methamorphosen

Hier vindt u de boeken die de etsgroep maakten

De boeken werden ooit tentoongesteld in de Tuingalerie van Pulchri Studio. Dat was een unicum; een tentoonstelling zonder verkoop met in hoofdzaak werk van mensen die geen lid van Pulchri Studio waren en voor wie de grafiek niet het beroep was.

Impressie expositie boeken, Tuingalerie Pulchri Studio.

 

Morandi, “Peasaggio sl Salvena”.

Een mooi voorbeeld van de werking van contrasten is de ets “Peasaggio sl Salvena” van Morandi. Het witte stuk in het midden is intens wit, volg je de witte partij naar de buitenkant dan zie je dat het wit niet meer dan het wit van het papier is en aan de buitenkant, door het ontbreken van contrasten, veel minder intens.

“Peasaggio sl Salvena” Giorgio Morandi,1929. Ets op koper. Beeldformaat 32,8 bij 49,5 cm. Collectie Museo Morandi Bologna.

Mezzotint

Anne werkte vanuit de etstechniek. Door de plaat steeds verder te bijten wordt deze zwarter tot zwart. Dat kan ook met een hoogdruk. De hoogdruk, een techniek waarbij je de bovenzijde van de plaat met een zwarte inkt oprolt. Je krijgt dan één egale kleur,  Deze techniek paste zij toe in het zwarte vlak.
Een andere techniek is de mezzotint; ook bekend onder de naam zwarte kunst. Deze werd rond 1650 ontwikkeld door de in Nederland geboren Ludwig von Siegen. Het is een intaglio techniek en is technisch gezien een vorm van droge naald. Waar je bij de ets van licht naar donker werkt werk je bij mezzotint werk vanuit het donker naar  licht. Bij de mezzotint wordt geen zuur gebruikt.

Bij de mezzotint wordt met een wiegijzer eerst de hele koperplaat van een ruw oppervlakte voorzien.  Een wiegijzer is een  waaiervormig instrument met gekartelde kop die rijen putjes en braam op de koperplaat achterlaat. Als je een volledig voorbewerkte mezzotint plaat afdrukt krijg je een zwarte afdruk, vandaar de naam zwartekunst. Om een voorstelling aan te brengen worden delen van de geruwde plaat met een schraap- of polijst staal bewerkt. Die  bewerkte, lichtere plekken zijn bij de afdruk lichter tot wit.  Lichter, omdat het mogelijk is om door r meer of minder te polijsten verschillende grijstonen te maken. Anders dan bij de aquatint biedt de mezzotint de mogelijkheid  vloeiende overgangen tussen de verschillende grijstonen te maken. Een mooie uitleg over de mezzotint vindt u in deze film

 

Wiegijzer en schraap/polijststaal.

 

Monique Dobbe

Een blad met twee studies van Monique Dobbe. Een blad met twee verschillende stijlopvattingen. Waar de eerste geranium eerst werd getekend en daarna geschilderd, werd de tweede geranium direct, zonder tekenen, in vlekken op papier gezet. Ik vind ze beiden met overtuiging geschilderd. Verschillende stijlopvattingen die beide goed zijn. Wie zich comfortabel voelt bij een werk waar je eerst de tekening maakt moet dat zeker doen, wil je wat risico nemen dan kies je voor een iets andere route, Misschien aardig  om te weten, mijn non-figuratieve prenten ontwerp ik ook, ik reken de verhoudingen soms zelfs uit.

Toch laat ik, in de achtergrond, veel aan het toeval over. Dat is waar ik met met de aquarelcursussen in eerste instantie ook heen wil; een achtergrond die uit vlekken, uit “toeval”, ontstaat tegenover een meer vormvast onderwerp. In de loop van de tijd probeer ik die twee wat meer in elkaar over te laten lopen.

In de twee studies hierboven zie ik ruimschoots voldoende potentieel om zo te kunnen werken. Heel belangrijk vind ik de kleur die Monique voor de schaduwpartij koos, een blauw violet. Prima gedaan, het zorgt er voor dat de schaduw onderdeel van het totaal wordt. We zijn snel geneigd om voor zo’n schaduw grijs te gebruiken. Grijs wordt te zelfstandig. Grijs is een moeilijke kleur die, op Davy’s Grey na, beter niet kan worden gebruikt, tenzij je een onderschildering in grisaille maakt of schildert als James Whistler.


James Abbott Whistler

James Abbott Whistler werd op 11 juli 1834 geboren in Lowell, Massachusetts. Hij was het eerste kind van Anna McNeill Whistler en George Washington Whistler. Zijn vader was een spoorwegingenieur en Anna was zijn tweede vrouw. James woonde de eerste drie jaar van zijn leven in een bescheiden huis in Worthen Street 243 in Lowell. Het huis is nu het Whistler House Museum of Art , een museum dat aan hem is gewijd.

Over Whistler gaan veel, niet verifieerbare verhalen rond. Feit is dat hij uit een streng gelovig gezin kwam en naar de Christ Church Hall School gestuurd. Zijn moeder hoopte dat hij predikant zou worden.  Whistler was echter zelden zonder zijn schetsboek en was populair bij zijn klasgenoten vanwege zijn karikaturen. Een carrière als predikant was voor Whistler niet  weggelegd. Hij probeerde naar de Amerikaanse Militaire Academie in West Point te gaan, waar zijn vader tekenles had gegeven. Ook daar bleek het schetsboek belangrijker dan verhandelingen over aanvalstechnieken.

In 1855 vertrok hij naar Parijs, huurde een studio in het Quartier Latin en nam al snel het leven van een Boheemse kunstenaar over. Hij studeerde korte tijd traditionele kunstmethoden aan de Ecole Impériale en aan het atelier van Marc Charles Gabriel Gleyre . Deze laatste was een groot voorstander van het werk van Ingres en maakte indruk op Whistler met twee principes die hij de rest van zijn carrière hanteerde:

  1. lijn is belangrijker dan kleur
  2. zwart de fundamentele kleur van tonale harmonie.

Arrangement in Gray and Black, No. 1

Arrangement in Gray and Black, No. 1. Olieverf op doek, 144,3 × 162,4 cm. James Abbott McNeill Whistler 1871. Collectie Musée d’Orsay , Parijs

Het schilderij toont Whistlers moeder. Zij ontvluchtte tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog haar land om bij haar zoon in Londen te gaan wonen. Het schilderij toont Anna’s bescheidenheid, strengheid en vroomheid; Anna was een puriteinse vrouw. Daarnaast symboliseert het schilderij traditionele familiewaarden, affectie voor ouders en het moederschap.
Ook over het ontstaan van dit schilderij bestaan verschillende, niet verifieerbare verhalen. Zo gaat het verhaal dat het model niet kwam opdagen, maar ook het verhaal dat moeder het model te werelds vond en daarom zelf als model fungeerde. Hoe dan ook, met dit schilderij schilderde Whistler, naast “American Gothik” van Grant Wood, één van de meest iconische schilderijen uit de Amerikaanse kunstgeschiedenis.

Sinds de jaren dertig van de twintigste eeuw, toen het schilderij voor een tentoonstelling in het Museum of Modern Art naar de Verenigde Staten kwam, wordt het in het geboorteland van de schilder als een nationaal icoon gezien. Hierop volgde een reis langs verschillende musea verspreid over het hele land. Tijdens deze tentoonstellingen werd het werk ook gezien door de moeder van Franklin D. Roosevelt. Het schilderij werd in 1934 als symbool voor alle moeders op een Amerikaanse postzegel afgebeeld.

Postzegel uitgegeven in 1934


Tonalisme

Het tonalisme was een stijl van schilderen die in 1880 ontstond. Amerikaanse kunstenaars gingen landschappen te schilderen in één overheersende toon.  Donkere, neutrale tinten zoals grijs, bruin of blauw overheersten vaak de werken die bij de stijl hoorden. De stroming ontleent zijn naam aan het gegeven dat Amerikaanse kunstcritici de term “tonaal” gebruikten om deze werken te beschrijven. Whistler hoorde tot de belangrijkste schilders uit deze stroming. In Nederland werd het tonalisme overgenomen door de schilders van de Haagse School.

Bronnen: Stringfixer, Wikipedia. Kubstbus, Ensie, Musée d’Orsay

 

Els Beukers

Maya, aquarel. Els Beukers
Aan de aquarel Maya van Els Beukers zijn veel voorstudies vooraf gegaan. Hoe ziet een oog eruit, hoe bouw je een hoofd op, de verhoudingen tussen voorhoofd, ogen, neus lippen en kin, enz. Dat is goed gelukt. Toen er een definitieve schets was is deze met licht houtskool overgezet op het aquarelpapier. Els laat zien dat je hier prima houtskool voor kunt gebruiken zonder dat de aquarel gaat vlekken.
Els koos voor een monochrome schildering, een schildering in één kleur, caput mortuum violet in dit geval. De Nederlandse naam is Dodekop. Het is een rode en paarse verfstof. De alchemisten gebruikte de Latijnse benaming caput mortuum. Dit betekent dood hoofd. Het was een pigment welk werd gemaakt uit het niet bruikbare (dode = mortuum) residu, dat na het distilleren in de kop (Caput) van het distilleerapparaat overbleef. De kleur wordt ook wel Ossenbloed genoemd. Niet omdat het van bloed wordt gemaakt maar omdat de kleur op ossenbloed lijkt.
Door secuur te werken, goed te kijken en te meten maakte Els een geslaagde aquarel.

Barbizon
Jean-Baptiste Camille Corot, Ville d’Avray, ca. 1867, olieverf op doek, 49 x 66 cm, National Gallery of Art, Londen

Kunst was eeuwen lang aan regels gebonden. Eind 1800 kwam de kentering met de schilders van de School van Barbizon. e stroming ontstaat in de periode van de romantiek, waarin het landschap veelvuldig werd toegepast als achtergrond, in een geïdealiseerde compositie. Kunstenaars van de School van Barbizon kozen de natuur echter als het hoofdonderwerp, zonder deze te willen idealiseren. Dit was een revolutionaire benadering van het landschap, dat onder andere geïnspireerd was op het werk van de Engelse landschapschilder John Constable. De School van Barbizon vond aansluiting bij het opkomende realisme. Ook de kunstenaars van het realisme zetten zich af tegen de academische benadering van kunst, zoals die op de officiële Salons in Parijs werd geëxposeerd. De School van Barbizon heeft haar wortels tevens in de romantische Hollandse traditie. De schilders van Barbizon schilderden met een losse penseelstreek en gebruikten lichte kleuren. Ze schilderden de natuur, zoals deze op hen over kwam. Ze beschouwden de natuur als een volwaardig onderwerp voor een schilderij. Omdat de kunstenaars rechtstreeks buiten naar de natuur schilderden, wordt de School van Barbizon vaak beschouwd als de voorloper van het impressionisme. Een  goede omschrijving leest u in dit artikel


De late Middeleeuwen
Hoe anders was het kunstenaarsleven in de late Middeleeuwen. Dit is mooi beschreven in het boek Il libro dell’Arte van Cennino Cennini (ca. 1360 – Florence, vóór 1427). Cennini was een kunstenaar uit Florence die één van de invloedrijkste schildershandboeken van de late Middeleeuwen schreef.
Cennino Cennini , Santo Vescovo, ca 1385. Tempera op paneel

Een tweede belangrijkje schrijver was de Zuid-Nederlander Karel van Mander. In Het Schilder-boeck (1604)  beschrijft hij het leven en werk van veel schilders, zowel uit het verleden als uit Van Manders eigen tijd. Daarnaast biedt het theoretische beschouwingen.

Het eerste hoofdstuk uit Il libro dell’Arte van Cennino Cennini wil ik u niet onthouden.

“Het Eerste Hoofdstuk van het Eerste Deel van dit Boek”

In den beginne, toen de Almachtige God Hemel en Aarde schiep, schiep hij boven alles Man en Vrouw naar zijn evenbeeld, en voorzag hen van alle Deugden. Maar toen werd Adam in het ongeluk gestort door de jaloerse Lucifer, die hem – of beter Eva, en Eva daarna Adam – met boosaardigheid en listen verleidde tot het plegen van zonde tegenover Gods gebod. Hierdoor werd God kwaad op Adam en Hij verdreef hem en zijn gezellin uit het Paradijs en Hij sprak tot hem: ”Omdat gij ongehoorzaam zijt aan het gebod dat God aan u gegeven heeft, zult gij uw leven in het zweet uws aanschijns voortzetten” En Adam die inzag welke fout hij gemaakt had nadat hij zo rijkelijk begenadigd was door God, de Bron, het Begin en de Vader van ons allen, besefte dat hij een of andere arbeid moest vinden. En dus begon hij te schoffelen en Eva begon te spinnen.

Hierna beoefende de mens vele verschillende nuttige bezigheden; sommigen daarvan vereisten meer theoretische kennis dan andere; ze konden niet allemaal gelijk zijn. De theoretische kennis is de meest waardevolle; daarna volgt een bezigheid waarvoor een theoretische bezigheid gekoppeld is aan een vaardige hand; dit is de bezigheid die bekend staat als schilderen; waarvoor zowel verbeelding als handvaardigheid nodig is, om dingen te ontdekken die niet zichtbaar zijn, die zichzelf verstoppen in de schaduw van natuurlijke dingen, en dan met de handvorm te geven, en aan het licht te brengen wat niet echt bestaat.

En het schilderen verdient met recht te tronen naast kennis en gekroond te worden samen met de poëzie. De rechtvaardiging luidt als volgt: de dichter is, met de kennis die hij heeft, vrij om naar zijn wens dingen samen te voegen en te verbinden, of niet, al naar gelang zijn voorkeur. Op dezelfde manier is de schilder vrij om een figuur uit te beelden die afgesneden is tot aan de romp, half man half paard, overeenkomstig zijn fantasie.

Daarom heb ik de meeste hoogachting voor de mensen die willen weten op welke wijze zij deze allerhoogste wetenschap met een juweel kunnen verrijken en die zich hiervoor werkelijk zonder enige terughoudendheid inzetten en daardoor aan die wetenschap een beetje kennis toevoegen dat God hun gegeven heeft.

Ik ben een onbelangrijke beoefenaar van de schilderkunst, Cenninni, geboren als zoon van Andrea Cenninni van Colle di Valdelsa. Ik werk gedurende twaalf jaar in dit beroep opgeleid door mijn meester, Agnollo di Taddeo van Florence. Hij leerde dit beroep van Taddeo, zijn vader, en zijn vader was opgeleid door Giotto en was gedurende vierentwintig jaar zijn navolger. Die Giotto veranderde het beroep van Grieks weer in Latijn en moderniseerde het en zijn vakmanschap was geperfectioneerder dan dat van wie er ooit na hem gekomen is.

Om al diegenen die het beroep wensen uit te oefenen gerust te stellen zal ik opschrijven wat mij werd aangeleerd door de bovengenoemde Agnollo, mijn meester, en wat ik eigenhandig heb uitgeprobeerd.

Eerst roep ik de Hoge, Almachtige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan, dan de meest verrukkelijke voorspreker voor alle zondaars, de Maagd Maria, en Sint-Lucas de Evangelist, de eerste christelijke schilder en mijn pleitbezorger en, in het algemeen, alle Heiligen in het Paradijs.

Amen.