Patricia Vreeburg

Vorm en restvorm

Vorm en restvorm, één van de moeilijkste onderwerpen bij het schilderen. Bij de aquarel van Patricia is het principe goed uit te leggen. Patricia is losser aan het komen, neemt meer risico en dat levert een veel betere aquarel op. De aquarel is goed van kleur, helder van opbouw en vlot geschilderd. Dat is prima. Bij de compositie wil ik even stilstaan.

Op je doek of papier zet je een vorm, het onderwerp. Alles wat je overhoudt noem je de restvorm. Als die twee niet in evenwicht met elkaar zijn dan kloppen je doek en compositie niet. Het best zie je dit in een modeltekening. Teken je de schouder en de arm goed maar de ruimte tussen romp en schouder niet can zal je tekening niet kloppen en moet je model richting de fysiotherapeut.

Als Patricia het onderwerp groter maakt dan wordt het tegelijk nog overtuigender. Bij een aquarel is dat heel makkelijk, je maakt je passe-partout kleiner. Dan krijg je onderstaand beeld.

In dit beeld kan je de vorm en restvorm duidelijk zien. Uiteindelijk blijken het 7 vormen te zijn. Vormen die allemaal even belangrijk zijn. Ik heb ze even met grove lijnen aangegeven. Probeer vorm en restvorm dus goed op elkaar af te stemmen, je werk wint er aan.

 

Leida Boersma

Het was op verzoek van Gijsbert Harder; een simpele bloemkool als onderwerp. Uit mijzelf had ik het nooit als onderwerp neergelegd. Het doet mij denken aan de periode dat ik op een internaat woonde. Elke dinsdag  muffe  bloemkool met een sausje en speklapjes. Hoe anders is de bloemkool geschilderd door Leida Boersma.

Krachtig, fris en in een paar uur (zonder te schetsen) op papier gezet. Mooi vind ik het loof wat zich als een slinger achter de bloemkool van de ene kant van het papier naar de andere kant beweegt. Met een paar kleine accenten zijn de roosjes aangegeven en de bloemkool staat overtuigend op papier.

Leida kan kijken en schilderen. Over het algemeen kiest zij voor de directe opzet, dat wil zeggen zonder tekening vooraf. Natuurlijk, dat gaat wel eens fout. Maar over het algemeen weet zij een overtuigend beeld neer te zetten; goed van compositie, helder in het gebruik van kleur. Trefzeker en vormvast.

Het is dat je er geen prijs mee kunt winnen, dat was vroeger anders.

Kunst als Olympische sport,
Er was een tijd dat bejaard zijn en grijze haren geen belemmering vormden voor het behalen van een olympische medaille. De oudste medaille winnaar ooit was de 73 jarige John Copley. Het lukte deze Engelse kunstenaar om op de Spelen van 1948 een zilveren medaille te winnen met zijn ets ““Polo Players”” Hij won deze medaille in de categorie “Schilderijen en Grafiek”. Het was het laatste jaar dat kunst onderdeel vormde van de Olympische Spelen.

“Polo Players”, John Copley. Ets, 27,8 bij 33,7 cm. Zilveren medaille in de categorie “Schilderijen en Grafiek” Olympische Spelen 1948. Collectie British Museum

Van 1912 – 1948 had kunst een plek op de Olympische Spelen. De kunstwedstrijden bestonden uit vijf hoofdcategorieën: architectuur, literatuur, muziek, schilderen en beeldhouwen. In een poging de wedstrijden zo objectief mogelijk te kunnen beoordelen werden er strikte regels aan deelname verbonden. Alle kunstwerken moesten sport als thema hebben en niet eerder aan het publiek zijn vertoond.

Dat kunst een tijd  onderdeel was van de Spelen dankten zij aan de Coubertain, de oprichter van de spelen. Geïnspireerd door de oude Griekse idealen ontwikkelde hij de theorie dat evenwicht tussen lichaam en geest het beste uit de mens haalt, kunst hoorde er dus bij.

De Coubertin stelde een Olympisch comité samen bestaande uit vermogende mannen die niet financieel verbonden waren aan hun land.  In 1896 gingen de eerste moderne Olympische Spelen van start in Athene. De kunstcompetities lieten nog een paar jaar op zich wachten, want de comités van de gastlanden wisten niet hoe ze kunst op een eerlijke en objectieve manier konden beoordelen.  Het is nou eenmaal lastiger te bepalen wie het mooiste kunstwerk schildert dan wie de discus het verst gooit. Met name de objectiviteit leverde veel discussie op. In 1912 keurde het toenmalige gastland Zweden het goed dat kunst onderdeel van de Spelen werden.

Het einde van de Olympische kunstcompetitie
Het wisselende aantal inzendingen, de partijdigheid van de jury’s en de weinige aandacht voor de kunstwedstrijd bij de organiserende landen; zij zorgden voor het einde aan de Olympische kunstcompetities . Cruciaal werden de Spelen in 1936 te Berlijn. In de muziekcompetitie waren 7 van de 9 juryleden Duits.  Van de 32 medailles gingen er 12 naar Duitsland zelf en 11 naar nazi-bondgenoten Italië, Japan en Oostenrijk. Onder de medaillewinnaars waren de beroemde nazi-kunstenaar Arno Breker en de architecten van het Berlijnse Olympische stadion: Werner en Walter March. Het luidde het eind van een vergeten onderdeel van de Spelen in. De laatste editie van de Olympische kunstcompetitie werd gehouden bij de spelen van Londen in 1948.

Nederlandse prijswinnaars
De enige Nederlandse gouden medaille in de categorie schilderkunst werd in 1928 behaald door Isaac Israëls. De kunstschilder won tijdens de Olympische spelen van Amsterdam goud met zijn schilderij “Rode rijder”.  De afgebeelde ruiter is de grootvader van voormalig RKD-medewerker Willem Rappard. De grootvader kocht het schilderij niet, omdat hij het paard niet vond lijken.
In hetzelfde jaar won architect  Jan Wils de gouden medaille voor architectuur met zijn ontwerp voor het Olympisch stadion. In totaal won Nederland tussen 1912 en 1948, twee keer goud, een keer zilver en drie maal brons.

Rode rijder. Isaak Israëls , olieverf op linnen, 80 bij 75 cm. Gouden medaille Olympische Spelen 1928. Collectie: kunsthandel Ivo Bouwman.

 

Bronnen: Vice, Wikipedia, Kunstvensters, Rijksdienst Kunsthistorische Documentatie, British Museum

Rob Taal

Sumatranen, Rob Taal. Lijnets, aquatint, hoogdruk.  

Rob Taal, een vakman die de techniek van het etsen goed beheerst. In bovenstaande ets (Sumatranen), vissen die naar beneden zwemmen) gebruikt hij de lijnets, aquatint en hoogdruk op een goed wijze door elkaar. De foto is wat minder, dat ligt aan mij.

Taal is gedreven, heeft thuis een etspers staan. Van origine kok maakte hij een aantal prenten waar koksgereedschappen het onderwerp vormden. Ik vermoed dat het feit dat hij kok is geweest, ook dat is een vak waar veel vakmanschap aan te pas komt, de basis is voor zijn werkwijze.

De ets is gemaakt op een zinken plaat die aan de bovenzijde met een zuurbestendige waslaag werd afgedekt. In die waslaag maak je de tekening en, nadat de plaat ook aan de achterzijde is afgedekt, gaat de plaat in een bak salpeterzuur. Het bijtend zuur doet dan zijn werk en bijt de lijnen steeds dieper in. Hoe langer een plaat in het zuur ligt , hoe dieper de lijnen. Wil je een afdruk maken dan smeer je de plaat in met inkt (ininkten) en draai je met een kurk of je vinger de inkt in de uitgebeten lijnen. Het oppervlakte maak je  schoon met een krant en je handen, afslaan in vaktermen; je slaat de inkt van de plaat af. Alleen in de groeven blijft de inkt staan en dat wordt afgedrukt.  De diepe partijen houden dus inkt; een lijnets is daarom een diepdruktechniek.

Aquatint
Rob Taal gebruikt ook de aquatint, dat zijn de donkere egale partijen die je in de prent ziet zitten. Bij de aquatint wordt een zuurbestendige hars in fijne korrels over de plaat gestrooid en vast gebrand. Op die manier ontstaat een raster Tussen de harskorrels ligt het metaal van de plaat open en kan deze worden gebeten. Aquatint bijt je in secondes tot een minuut of drie en wordt gebruikt om egale vlakken te krijgen. Echt zwarte vlakken moeten een aantal malen met hars worden bestrooid en gebeten.  Als uitvinder van de aquatint geldt J.B. Le Prince, midden 18e eeuw. Goya werd er beroemd mee. Ook de aquatint hoort tot de diepdruktechnieken.

Hoogdruk
Het geel daarin tegen is een hoogdruk techniek. Met een rubberen roller wordt een kleur over het blanke oppervlakte van de plaat gerold. Dat moet in een keer goed, zo niet dan moet je opnieuw beginnen.

Rob heeft deze technieken uitstekend gecombineerd in de prent Sumatranen.

Evelyn Waugh
“Oxford, in those days, was still a city of aquatint. In her spacious and quiet streets men walked and spoke as they had done in Newman’s day; her autumnal mists, her grey springtime, and the rare glory of her summer days – such as that day – when the chestnut was in flower and the bells rang out high and clear over her gables and cupolas, exhaled the soft airs of centuries of youth. It was this cloistral hush which gave our laughter its resonance, and carried it still, joyously, over the intervening clamour.”

Zo omschreef Evelyn Waugh de stad Oxford in zijn boek Brideshead Revisited. Doe je ogen dicht en je ziet de stad in grijzen. Een mooiere ode aan de aquatint ken ik niet.

 

 

 

 

Lidwien de Jong

 

De eerste aquarel van Lidwien na de lockdown was een complete verrassing. Een stilleven met Franse koffiekanen en tulpen waren het onderwerp waar zij met verve een schitterende aquarel van wist te maken. Niet het schilderen is het moeilijkste, maar het op het juiste moment weten te stoppen. Dat laatste, het zien wanneer een werk af is en dan, al popelen je handen om verder te gaan stoppen, is de kracht van deze aquarel.

Zij maakt mooi gebruik van slechts een paar kleuren, rode, groenen en een blauw. De onderlinge meningen zorgen voor een uiterst harmonieus resultaat. Let eens op de schaduw onder de kant en hoe mooi deze, in kleur, in een ijle toon naar beneden loopt.

Het klinkt altijd wat vreemd maar de slogan van de HEMA “Meer met minder” kan heel goed bij een aquarel worden toegepast. Met weinig middelen heel veel zeggen; de kracht van dit werkstuk.

Twee Corona-prenten

           

Ook dit jaar legt het coronavirus het seizoen voor lange tijd stil. Langer dan in de voorafgaande periode.

Weer kan ik niet anders dan de lessen stil leggen en mij terugtrekken op het atelier aan het Ledeganckplein, de sociale isolatie ten voeten uit. Hoewel ik het seizoen na een zomerstop wil laten doorlopen tot de herfstvakantie weet ik nu al dat ik het aantal lessen wat een jaar kent, niet zal kunnen geven. Na de herfstvakantie met dit seizoen verder gaan is financieel niet haalbaar.  Vervelend voor al die cursisten die wel het hele seizoen betaalden en dat maar gedeeltelijk konden volgen.

Als compensatie maakte ik twee prenten. Twee, omdat ik weet dat niet iedereen een voorkeur voor non-figuratief heeft. Ik ga u, naast de verlenging van het seizoen tot 16 oktober 2021 een prent geven. U heeft daarbij de keuze tussen “de kommetjes” of  “No.6068”.  Net als bij de vorige Corona-prent is de afspraak dat u het hele seizoen betaalt.

Als u mij uw voorkeur mailt dan ga ik ze drukken. Beide prenten worden “à la poupée” gedrukt, dat wil zeggen dat de kleur met een prop handmatig gedeeltelijk wordt verwijderd. Elke afdruk is dus anders. Hieronder geef ik u de prent en de technieken.

 


“De kommetjes”. Het is het onderwerp waar ik bij de aquarellessen altijd mee begin. Als ik de aquarel voordoe gebruik ik altijd blauw.

Technieken:

  • ets
  • zaging
  • hoogdruk

Het beeldformaat van de ets is 17, 5 bij 17, 5 cm. Het bladformaat moet ik nog bepalen.


No. 6068

Technieken:

  • lijnets
  • wildbijting
  • vernis-mou
  • zaging
  • hoogdruk
  • bladgoud.

Het beeldformaat van deze ets is 24 bij 13 cm en ook hier moet ik het bladformaat nog bepalen. Deze prent is moeilijk te drukken, het kan dus even duren voor ik de oplages af heb.

 

Gijsbert Harder

Met veel oog voor detail schilderde Gijsbert het oude Mariabeeld. De details zijn zo sterk geschilderd dat het bijna een echt beeld lijkt. Door de schaduwwerking komt het kind los van de moeder. Het blauw in de achtergrond sterk en heel passend bij dit onderwerp. Door het blauw iets over de mantel te zetten krijg ik het gevoel dat het beeld uit de achtergrond komt zetten.

Als je de plooien van de jurk bekijkt dan lijkt het net een geboetseerd stuk. De kleur van de schaduwen zorgen voor een goede samenhang.
Een sterk, thuis in lockdown geschilderd, doek (het is in acryl geschilderd) net wat ik al zei, met heel veel oog voor detail.


Rembrandt
Wie ook oog voor detail had was Rembrandt van Rijn.  Op het schilderij “Bathseba met de brief van koning David” zien we Hendrickje Stoffels.

Rembrandt: Bathseba met de brief van koning David 1654, collectie Louvre

Het schilderij refereert aan het Bijbelse verhaal van koning David, die zijn oog had laten vallen op de mooie Bathseba. Vanuit zijn woning kon hij haar zien als ze ging baden. Bathseba was echter getrouwd. David loste dit echter op door haar man Uria bewust met de fronttroepen ten oorlog te sturen, waar deze later sneuvelde, als verwacht. Nog terwijl haar man aan het front streed, liet David Bathseba per brief bij zich ontbieden en maakte haar zwanger. Na de dood van haar man kon hij haar huwen en verwekte nog meer kinderen bij haar. Het doek zou later door de kerkenraad tegen haar worden gebruikt.

Het schilderij laat nog iets anders zien. Wie de linkerborst goed bekijkt ziet dat Rembrandt niets verhulde. De blauwe plek op de linkerborst en de lichte vervorming onder de linker oksel leidden onder kunsthistorici en medici tot speculaties dat zij overleden zou zijn aan borstkanker. Hendrickje Stoffels is inderdaad jong overleden, vermoedelijk met borstkanker maar officieel overleed zij aan de pest.

Detail linkerborst.

Rembrandt en zijn vrouwen.

Saskia Uylenburg
In juni 1633 verloofde Rembrandt zich met de toen twintigjarige Saskia Uylenburgh. Saskia, de dochter van een burgemeester en de nicht van de bekende kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh was een wees en had de beschikking over een royale bruidsschat. Een jaar na hun verloving traden zij in het huwelijk. In 1639 kocht Rembrandt  een huis in de Anthonie Breestraat te Amsterdam. In dit huis is het Rembrandthuis gevestigd. Saskia kennen wij van de statige portretten.

Saskia en Rembrandt kregen vier kinderen:  Rumbartus en twee dochters die naar naar de moeder van Rembrandt werden vernoemd; Cornelia. De drie kinderen overleden vlak na hun geboorte.  In 1641 werd Titus geboren. Titus was de enige van hun vier kinderen die in leven bleef. Een jaar na de geboorte van Titus overleed Saskia, nog geen dertig jaar oud. 

Geertje Dircx
Na de geboorte van Titus was Geertje Dircx aangesteld als kindermeisje (“droge min” zoals dat officieel heette). Na het overlijden van Saskia werd Rembrandt verliefd op Geertje. Zij kregen een verhouding en hoewel niet getrouwd leefden zij openlijk als man en vrouw. Als teken van trouw schonk hij Geertje de juwelen van zijn overleden echtgenote Saskia.  Dat leidde al snel tot problemen. De familie van Saskia, in de persoon van Titus’ voogd, Hendrick van Uylenburgh, maakte zich grote zorgen. De gezondheid van Geertje was niet best, dus het risico dat de nalatenschap aan Titus zou ontglippen, was reëel. Rembrandt wist de gemoederen te bedaren met de belofte dat Titus de juwelen na de dood van Geertje zou terugkrijgen.

Geertje hoopte dat Rembrandt hun relatie zou bekrachtigen met een huwelijk. Maar intussen was de veel jongere Hendrickje Stoffels  verschenen en Rembrandt werd opnieuw verliefd.  Geertje eiste voor de Amsterdamse “Huwelijkskrakeelkamer”, dat Rembrandt zijn belofte met haar te trouwen zou nakomen. Het schenken van de juwelen was voor de Huwelijkskrakeelkamer reden aan te nemen dat dit ook Rembrandts intentie was. Rembrandt weigerde en stelde een alimentatie van 5 gulden per maand voor. Dit voorstel werd door de Huwelijkskrakeelkamer afgewezen. Het oordeel was dat Rembrandt niet hoefde te trouwen maar wel  werd veroordeeld tot een alimentatie van 300 gulden per jaar. Geertje nam wraak door de juwelen te verkopen.

Helaas; Geertje werd op verzoek van haar familie en in overleg met Rembrandt ondergebracht in tuchthuis in Gouda. In dit soort huizen werden mensen door familieleden opgesloten om hun eer en reputatie te redden door de persoon in kwestie buiten de samenleving te plaatsen. Het tuchthuis had aanvankelijk zijn bedenkingen tegen opname van Geertje maar kon het geld wat Rembrandt voor haar verblijf betaalde goed gebruiken. Na vijf jaar kwam Geertje weer vrij. Rembrandt kon door zijn faillissement het kostgeld niet meer betalen.

Hendrickje Stoffels
Inmiddels was Hendrickje Stoffels de minnares en muze van Rembrandt geworden. Zij poseerde naakt en naakt poseren was in die tijd geen neutrale zaak. Veel modellen waren prostituees en naakt poseren was al genoeg om een vrouw van het ergste te verdenken. Officieel is er geen gedocumenteerde afbeelding van Hendrickje bekend. Wel bestaan er een aantal Rembrandts uit de periode waarin Hendrickje met hem samenwoonde, waarop zij mogelijk is afgebeeld. Toen Hendrickje al vijf jaar bij hem was en in verwachting van hun dochter was, moest zij het plotseling ontgelden. Naar verluidt zou het schilderij ‘Batheseba met brief van koning David’ (zie het schilderij boven) daar aanleiding toe zijn. Het schilderij werd door de kerkenraad gezien als  provocatie. Daarnaast was zij zwanger en ook dat zal zeker een rol hebben gespeeld. Hendrickje verscheen voor de kerkenraad om zich te verantwoorden voor het ‘in hoererij verloopen met Rembrandt als schilder’.  Omdat Rembrandt geen belijdend lid was  werd hij hier niet op aangesproken.  Zij bekende schuld en werd ‘daerover ernstelijk bestraft, tot boetvaerdicheijt vermaent en van den tafel des Heeren afgehouden’. Zij mocht dus niet meer meedoen aan het Avondmaal in de kerk. Drie maanden na haar veroordeling beviel Hendrickje van hun dochter Cornelia.

In 1656 ging Rembrandt failliet en moesten zijn bezittingen worden geïnventariseerd en verkocht. Op 14 februari 1658 machtigde de Desolate Boedelskamer van Amsterdam de conciërge om meubels en huisraad van Rembrandt te verkopen. Bij de huisraad zat ook een eikenhouten kast die van Hendrickje Stoffels bleek te zijn. Zij bewaarde daarin linnen, wol, zilverwerk, gouden ringen en andere zaken, ter waarde van zeshonderd gulden. Hendrickje Stoffels eiste en kreeg de kast terug. Omdat de  opbrengst van de verkopingen niet genoeg was om alle schulden en de hypotheek op hun huis te betalen ( het huis werd met een verlies van tweeduizend gulden verkocht) begon Hendrickje Stoffels met Titus van Rijn een kunsthandel: zij verkochten schilderijen, tekeningen, kopergravures, houtsneden en rariteiten. Rembrandt kwam als onbetaalde werknemer in dienst van deze firma (*noot: Anton Heijboer had eenzelfde constructie), waardoor hij werd gevrijwaard van claims van zijn schuldeisers. In 1663 overleed Hendrikje.

Bronnen:

  • Historieknet,
  • Cultuurwijs,
  • Wikipedia,
  • Oud-Edam,
  • Rembrandthuis
  • A. Overbeek (red.), Rembrandt zijn leven zijn schilderijen (1984), blz. 240 en 292 – 293.