Gijsbert Harder

Met veel oog voor detail schilderde Gijsbert het oude Mariabeeld. De details zijn zo sterk geschilderd dat het bijna een echt beeld lijkt. Door de schaduwwerking komt het kind los van de moeder. Het blauw in de achtergrond sterk en heel passend bij dit onderwerp. Door het blauw iets over de mantel te zetten krijg ik het gevoel dat het beeld uit de achtergrond komt zetten.

Als je de plooien van de jurk bekijkt dan lijkt het net een geboetseerd stuk. De kleur van de schaduwen zorgen voor een goede samenhang.
Een sterk, thuis in lockdown geschilderd, doek (het is in acryl geschilderd) net wat ik al zei, met heel veel oog voor detail.


Rembrandt
Wie ook oog voor detail had was Rembrandt van Rijn.  Op het schilderij “Bathseba met de brief van koning David” zien we Hendrickje Stoffels.

Rembrandt: Bathseba met de brief van koning David 1654, collectie Louvre

Het schilderij refereert aan het Bijbelse verhaal van koning David, die zijn oog had laten vallen op de mooie Bathseba. Vanuit zijn woning kon hij haar zien als ze ging baden. Bathseba was echter getrouwd. David loste dit echter op door haar man Uria bewust met de fronttroepen ten oorlog te sturen, waar deze later sneuvelde, als verwacht. Nog terwijl haar man aan het front streed, liet David Bathseba per brief bij zich ontbieden en maakte haar zwanger. Na de dood van haar man kon hij haar huwen en verwekte nog meer kinderen bij haar. Het doek zou later door de kerkenraad tegen haar worden gebruikt.

Het schilderij laat nog iets anders zien. Wie de linkerborst goed bekijkt ziet dat Rembrandt niets verhulde. De blauwe plek op de linkerborst en de lichte vervorming onder de linker oksel leidden onder kunsthistorici en medici tot speculaties dat zij overleden zou zijn aan borstkanker. Hendrickje Stoffels is inderdaad jong overleden, vermoedelijk met borstkanker maar officieel overleed zij aan de pest.

Detail linkerborst.

Rembrandt en zijn vrouwen.

Saskia Uylenburg
In juni 1633 verloofde Rembrandt zich met de toen twintigjarige Saskia Uylenburgh. Saskia, de dochter van een burgemeester en de nicht van de bekende kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh was een wees en had de beschikking over een royale bruidsschat. Een jaar na hun verloving traden zij in het huwelijk. In 1639 kocht Rembrandt  een huis in de Anthonie Breestraat te Amsterdam. In dit huis is het Rembrandthuis gevestigd. Saskia kennen wij van de statige portretten.

Saskia en Rembrandt kregen vier kinderen:  Rumbartus en twee dochters die naar naar de moeder van Rembrandt werden vernoemd; Cornelia. De drie kinderen overleden vlak na hun geboorte.  In 1641 werd Titus geboren. Titus was de enige van hun vier kinderen die in leven bleef. Een jaar na de geboorte van Titus overleed Saskia, nog geen dertig jaar oud. 

Geertje Dircx
Na de geboorte van Titus was Geertje Dircx aangesteld als kindermeisje (“droge min” zoals dat officieel heette). Na het overlijden van Saskia werd Rembrandt verliefd op Geertje. Zij kregen een verhouding en hoewel niet getrouwd leefden zij openlijk als man en vrouw. Als teken van trouw schonk hij Geertje de juwelen van zijn overleden echtgenote Saskia.  Dat leidde al snel tot problemen. De familie van Saskia, in de persoon van Titus’ voogd, Hendrick van Uylenburgh, maakte zich grote zorgen. De gezondheid van Geertje was niet best, dus het risico dat de nalatenschap aan Titus zou ontglippen, was reëel. Rembrandt wist de gemoederen te bedaren met de belofte dat Titus de juwelen na de dood van Geertje zou terugkrijgen.

Geertje hoopte dat Rembrandt hun relatie zou bekrachtigen met een huwelijk. Maar intussen was de veel jongere Hendrickje Stoffels  verschenen en Rembrandt werd opnieuw verliefd.  Geertje eiste voor de Amsterdamse “Huwelijkskrakeelkamer”, dat Rembrandt zijn belofte met haar te trouwen zou nakomen. Het schenken van de juwelen was voor de Huwelijkskrakeelkamer reden aan te nemen dat dit ook Rembrandts intentie was. Rembrandt weigerde en stelde een alimentatie van 5 gulden per maand voor. Dit voorstel werd door de Huwelijkskrakeelkamer afgewezen. Het oordeel was dat Rembrandt niet hoefde te trouwen maar wel  werd veroordeeld tot een alimentatie van 300 gulden per jaar. Geertje nam wraak door de juwelen te verkopen.

Helaas; Geertje werd op verzoek van haar familie en in overleg met Rembrandt ondergebracht in tuchthuis in Gouda. In dit soort huizen werden mensen door familieleden opgesloten om hun eer en reputatie te redden door de persoon in kwestie buiten de samenleving te plaatsen. Het tuchthuis had aanvankelijk zijn bedenkingen tegen opname van Geertje maar kon het geld wat Rembrandt voor haar verblijf betaalde goed gebruiken. Na vijf jaar kwam Geertje weer vrij. Rembrandt kon door zijn faillissement het kostgeld niet meer betalen.

Hendrickje Stoffels
Inmiddels was Hendrickje Stoffels de minnares en muze van Rembrandt geworden. Zij poseerde naakt en naakt poseren was in die tijd geen neutrale zaak. Veel modellen waren prostituees en naakt poseren was al genoeg om een vrouw van het ergste te verdenken. Officieel is er geen gedocumenteerde afbeelding van Hendrickje bekend. Wel bestaan er een aantal Rembrandts uit de periode waarin Hendrickje met hem samenwoonde, waarop zij mogelijk is afgebeeld. Toen Hendrickje al vijf jaar bij hem was en in verwachting van hun dochter was, moest zij het plotseling ontgelden. Naar verluidt zou het schilderij ‘Batheseba met brief van koning David’ (zie het schilderij boven) daar aanleiding toe zijn. Het schilderij werd door de kerkenraad gezien als  provocatie. Daarnaast was zij zwanger en ook dat zal zeker een rol hebben gespeeld. Hendrickje verscheen voor de kerkenraad om zich te verantwoorden voor het ‘in hoererij verloopen met Rembrandt als schilder’.  Omdat Rembrandt geen belijdend lid was  werd hij hier niet op aangesproken.  Zij bekende schuld en werd ‘daerover ernstelijk bestraft, tot boetvaerdicheijt vermaent en van den tafel des Heeren afgehouden’. Zij mocht dus niet meer meedoen aan het Avondmaal in de kerk. Drie maanden na haar veroordeling beviel Hendrickje van hun dochter Cornelia.

In 1656 ging Rembrandt failliet en moesten zijn bezittingen worden geïnventariseerd en verkocht. Op 14 februari 1658 machtigde de Desolate Boedelskamer van Amsterdam de conciërge om meubels en huisraad van Rembrandt te verkopen. Bij de huisraad zat ook een eikenhouten kast die van Hendrickje Stoffels bleek te zijn. Zij bewaarde daarin linnen, wol, zilverwerk, gouden ringen en andere zaken, ter waarde van zeshonderd gulden. Hendrickje Stoffels eiste en kreeg de kast terug. Omdat de  opbrengst van de verkopingen niet genoeg was om alle schulden en de hypotheek op hun huis te betalen ( het huis werd met een verlies van tweeduizend gulden verkocht) begon Hendrickje Stoffels met Titus van Rijn een kunsthandel: zij verkochten schilderijen, tekeningen, kopergravures, houtsneden en rariteiten. Rembrandt kwam als onbetaalde werknemer in dienst van deze firma (*noot: Anton Heijboer had eenzelfde constructie), waardoor hij werd gevrijwaard van claims van zijn schuldeisers. In 1663 overleed Hendrikje.

Bronnen:

  • Historieknet,
  • Cultuurwijs,
  • Wikipedia,
  • Oud-Edam,
  • Rembrandthuis
  • A. Overbeek (red.), Rembrandt zijn leven zijn schilderijen (1984), blz. 240 en 292 – 293.

 

Jeannette Voorbij

Jeannette Voorbij ken ik als een schilder die in dunne laagjes een schilderij opbouwt, een schilder die soms net iets te aarzelend of te doordacht haar doeken schildert. De aarzeling heeft zeker zijn voordelen, bij mijn eigen werk stel ik ook heel vaak iets uit, maar het kan ook ten koste gaan van de spontaniteit. En dan opeens wordt dit zeegezicht geschilderd, met een ferme toets is volstrekt overtuigend een schilderij neergezet. Een absolute topper in haar oeuvre.

Een dun geschilderde achtergrond tegen de wat dikker en a la prima geschilderde toetsen van de zee zorgen voor een mooie diepte in het werk.  De zee zwelt in toets van dun naar dikker aan. Een prima vertaling van het atmosferisch perspectief.

Erg mooi vind ik de combinatie van blauwen aangevuld met okers en groenen. Mooi doek Jeannette.


De Nachtwacht

In het Rijksmuseum hangt een schuttersstuk van Rembrandt. Hij voltooide het doek in 1642 en heeft als titel “De compagnie van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren”

Zo kennen wij dit doek niet. Wij kennen het doek onder de naam “de Nachtwacht”. Maar waarom wordt het doek eigenlijk zo genoemd? De naam ‘De Nachtwacht’ heeft het schilderij in de achttiende eeuw gekregen. Rembrandt gebruikte een damar-vernis. Dit vernis werd in de loop van de tijd steeds donkerder. In combinatie met de donkere kleuren die Rembrandt gebruikte werd daarom aangenomen dat het afgebeelde tafereel zich ’s nachts afspeelde. Zodoende kreeg het de naam waaronder wij het nu kennen.

Bij één van stillevens die in in de rubriek thuis plaatste, stelde ik de vraag waarom het meisje in de Nachtwacht een kip vasthield. In de tijd van Rembrandt werd niets aan het toeval overgelaten. Het meisje staat met Banninck Cocq en van Ruytenburgh centraal en in het volle licht. Zij symboliseert de kloveniers. De klauwen van de kip die aan haar gordel hangt, verwijzen naar de naam ‘clauweniers’. In haar hand houdt de ceremoniële drinkhoorn van de kloveniers vast.

De Nachtwacht is oorspronkelijk een stukje groter geweest. Toen het schilderij in 1715 verhuisde van de Doelen naar het Stadhuis op de Dam, werd het aan drie kanten verkleind. Het schilderij moet ongeveer 400 bij 500 centimeter groot zijn geweest. Dit is niet de enige keer geweest dat het werd verplaatst. In de negentiende eeuw hing het in het Trippenhuis en tijdens de Tweede Wereldoorlog is het, opgerold en wel, in de mergelgrotten in Limburg ondergebracht.

In de Nachtwacht zitten 15 verborgen details. Een artikel uit het Parool laat ze zien en beschrijft ze. U kunt onderstaande  foto van de Nachtwacht die bij dit artikel hoort hier openen en vergroten. Leuk om in de lockdown te bekijken.

Smalt
Rembrandt kon dus wel degelijk honden schilderen (nr 1 op de pagina van het Parool, zie boven), hij gebruikte alleen een verf die niet kleurecht was; smalt. Smalt werd gemaakt van gemalen kaliumglas en kreeg zijn blauwe kleur door toevoeging van kobaltoxide. De kleur staat al vermeld op de kleitabletten uit de bibliotheek te Nineveh ( Egypte, zo’n 1000 jaar voor Christus). Door de opkomst van de glasindustrie werd de kleur opgenomen in schilderateliers. Na het ontdekken van de kleur kobaltblauw verdween de kleur. Winsor&Newton gaf bij haar 150 jarig bestaan de kleur in aquarel als relatiegeschenk in een zeer beperkte oplage uit. Ik heb twee tubes,  niet om te gebruiken maar gewoon om te hebben. In olieverf blijkt de kleur perfect als siccatief (droogmiddel) te werken.

Er zijn altijd wel vreemde kleuren geweest.
In 1972 kocht ik bij Stahlecker, een schilderswinkel op de Boekhorststaat Den Haag, een ons van het pigment Mummie, een wat groen/bruine kleur. Pas later begreep ik dat het pigment bestond uit afgeschraapte huid van een echte mummie. Dat dit uiteindelijk verboden werd is niet meer dan vanzelfsprekend. Ik heb er wel spijt van dat ik het restje wat ik had heb weggegooid.

Een andere vreemde kleur was Schijtgeel, een gele kleurstof die snel verkleurde. Een oude kleur (Cennini beschreef hem begin 1400 al in zijn handboek) die zijn naam waarschijnlijk dankt aan het feit dat de kleur werd gemaakt van bessen van de wegedoorn. Deze plant had een grote laxerende werking. De kleur was transparant en alleen geschikt voor glacis. Alleen verkleurde het geel bijzonder snel De verkleuring van dit geel is mooi te zien in “het straatje” van Vermeer. Als je de foto vergroot zie je aan de linkerkant een blauwe klimop. Deze klimop was van oorsprong groen door het glacis van het warme geel.

De herkomst van een kleur is vaak aan de naam te herleiden, Sienna’s komen uit Sienna en Napels geel hoeft ook geen uitleg. Mooi zijn de Caput Mortuum kleuren. De Nederlandse naam is Dodekop. Het is een rode en paarse verfstof. De alchemisten gebruikte de Latijnse benaming caput mortuum. Dit betekent dood hoofd. Het was een pigment welk werd gemaakt uit het niet bruikbare (dode = mortuum) residu, dat na het distilleren in de kop (Caput) van het distilleerapparaat overbleef. De kleur wordt ook wel Ossenbloed genoemd. Niet omdat het van bloed wordt gemaakt maar omdat de kleur op ossenbloed lijkt.

 

 

 

 

Bob Ross

Museum MORE, Gorsel. 19 november 2020 t/m 11 april 2021.

“We don’t make mistakes, we just make happy accidents” , een gevleugeld begrip van de Amerikaanse schilder Bob Ross. Als eerste museum ter wereld wijdt het museum More in Gorsel een solotentoonstelling aan de nog steeds immens populaire schildercoach en culticoon Bob Ross. Miljoenen mensen hebben zijn tv-serie The Joy of Painting gezien waarin Bob telkens binnen 26 hypnotiserende minuten een landschap neerzette. Artistiek directeur Ype Koopmans van museum More: ”Bob Ross is een prachtig fenomeen in de populaire cultuur. Een ontwapenend blije promotor van schildervreugde die op een authentieke en laagdrempelige manier angst voor kunst maken en kunst kijken wegneemt”.
Het museum toont niet alleen 40 schilderijen maar bij elk schilderij kunt u ook de stem van Ross horen terwijl het werk wordt gemaakt. Of Bob Ross tot de kunst mag worden gerekend kunt u het beste zelf gaan bekijken.

Bob Ross maakte tussen 1983 en 1994  381 afleveringen van de televisieserie “The joy of painting”. Met zijn bijna hypnotiserende stem groeide hij uit tot een fenomeen. Iedereen kon schilderen, je creëert je eigen wereld en die wereld die is altijd mooi. Niet het schilderij maar het plezier in het schilderen stond centraal. Na zijn overlijden, Ross stierf in 1995 op 52 jarige leeftijd, bleef de serie populair. Wie op YouTube zoekt ziet dat zijn films miljoenen keren zijn bekeken. Wie de films bekijkt moet zich realiseren dat Bob Ross elk schilderij drie keer schilderde. Eén keer als studie, één keer voor zijn televisieopname en één keer voor de foto in het boek.

Bob Ross, beroepsmilitair voor hij schilder werd, is nooit doorgedrongen tot het officiële kunstcircuit, het was geen kunst met een grote K. Zijn werk werd omschreven als een trucje en als uiterst commercieel gezien. Dat Ross commercieel was staat buiten elke discussie. Hij zette zijn eigen lesmethode op en ontwikkelde de Bob Ross-verven.

Commercieel deed en doet het atelier Ross het niet slecht. De Bob Ross Inc  is gevestigd in Herndon, Virginia, Verenigde Staten. Het bedrijf maakt deel uit van de Education & Training Services Industry. Bob Ross Inc heeft in totaal 17 werknemers over verschillende vestigingen en genereert een jaaromzet van $ 1.50 miljoen  met de verkoop van speciale Bob Ross-olieverf, -penselen, -T-shirts, -sokken en zelfs -broodroosters. En je kunt er een opleiding volgen om zelf als gecertificeerd Bob Ross-docent schildercursussen te geven in de stijl van Bob Ross. Wereldwijd zijn bijna 1400 cursusleiders ­actief. Niet echt slecht voor een schilder. (bron Dun & Bradstreet)

De schilder had zijn eigen kleurenpalet ontwikkeld. Kijkers van ‘The Joy of Painting’ kennen allemaal zijn ‘Dark sienna’, ‘Prussian blue’ ‘Sap green’ en ‘Van Dyke brown’. Uiteraard zijn het precies deze kleuren die aan cursisten worden ­aanbevolen om het gewenste resultaat te bereiken.

bronnen: © Bob Ross Inc, © Museum More, het Parool


Van Dijck bruin

Keulse aarde, ook bekend als Van Dijckbruin of Kasselse aarde, is een bruin pigment. Het pigment wordt al sinds de vroege zestiende eeuw toegepast. Het is aangetoond in het werk van Gerard David. In het algemeen werden aardpigmenten, bestaande uit gemalen aardlagen, al sinds de oertijd gefabriceerd. Ze waren goedkoop maar een nadeel lag in een wat lage verzadiging en het niet altijd in de omgeving voorhanden zijn van rotslagen van de geschikte kleur. Door een aardpigment te verhitten, “branden”, kon de kleur wat warmer worden gemaakt. In het Rijnland en de Lage Landen kwam men op het idee om simpelweg turf of humus als warmbruin pigment te gaan inzetten. Na voldoende droging kan de substantie met lijnolie vermengd worden. Het pigment had dan een zeer hoge component aan organische stoffen, met vaak wat silicaten, mangaanoxide en ijzeroxide. Het pigment werd oorspronkelijk vooral gebruikt voor de schaduwtonen in onderschilderingen en voor vleestinten.

In de vroege zeventiende eeuw werd het een bekender pigment, wellicht door de Dertigjarige Oorlog die de handelsroutes met Italië afsneed, waarvan de beste “aarden” kwamen. In de late zeventiende eeuw, de achttiende eeuw en de negentiende eeuw nam de populariteit van het pigment toe. Tijdens de Romantiek vond men zulke diepbruine tinten zeer romantisch. Engelse fabrikanten noemden het pigment Van Dyke Brown of Vandyke Brown naar de schilder Antonie van Dyck, wiens werk gekenmerkt wordt door fraaie bruine partijen.

Anthonie van Dyck is dus niet de ontdekker van de kleur. Toch is er wel iets naar de schilder vernoemd. De baard die de schilder had wordt in Engeland nog steeds een  “van Dyke” genoemd.

 

Bronnen: Wikipedia, Balding Beards UK.

 

 

Joke Hagen

Joke Hagen schilderde bovenstaand schilderij naar aanleiding van het doek ” les deux saltimbanques”  (De harlekijn en zijn metgezel) uit 1901 van Pablo Picasso. Picasso wordt beschouwd als de grondlegger van het Kubisme.
De gelijkenis met het originele doek is voortreffelijk. Joke slaagde erin een goede kopie van het doek te maken. Mooi vind ik de oranje achtergrond die goed doorloopt in de blouse van de voorste figuur. Aan het zwart van het haar is het blauw van de achtergrond toegevoegd, waardoor het mooi harmonieert met die achtergrond. Met een paar zwarte contouren zijn de armen losgemaakt van het vlak.
De droefenis van het clownsvak is heel mooi in het doek weergegeven.

Soms aarzelt Joke maar als ze eenmaal aan het schilderen slaat, ontstaan er mooie schilderijen. Of dat nou een Monet, een Dali of een Picasso is, Joke Hagen draait haar hand er niet voor om. Waar Joke koos om aan het zwart van het haar een blauw toe te voegen zijn de contouren puur zwart. Discutabel, want zwart wordt door veel schilders niet als een echte kleur gezien.


Het zwart in de schilderkunst
Dat zwart niet als een echte kleur wordt gezien, vindt zijn oorsprong in het Impressionisme. De Impressionisten bekenden kleur, zo ook het zwart. Voor de Impressionisten was zwart was een samenstelling van Kraplak Rood, Pruisisch blauw en Gebrande Sienna. Het Sienna fungeerde daarbij als basis, waar het rood en blauw aan werden toegevoegd. Wordt het zwart wat warmer dan wordt wat meer Kraplak toegevoegd, moet het zwart wat koeler worden dan wordt wat meer Pruisisch Blauw toegevoegd. Het is een prachtige menging.

Toch is door de eeuwen heen veel met puur zwart geschilderd. De bekendste zwarten zijn:

  • Lampen zwart (pigment PBk6), dekkend
  • Ivoor zwart (pigment PBk9), half dekkend met een iets bruine ondertoon
  • Mars zwart (pigment PBk11), dekkend met een iets bruine ondertoon,  warmer dan Ivoor zwart.

In de vroege middeleeuwen verbood de Franse monnik Bernardus van Clairvaux (1090-1153) zelfs het gebruik van kleur in de Cisterciënzer kerken en kloosters. Kleur leidde alleen maar af en werd beschouwd als overbodige franje.


Guernica, Pablo Picasso 1937. Olie op linnen, 3,49 m bij 7,76 m. Collectie: Museo Reina Sofía, Madrid.

Guernica
Het beroemdste schilderij in zwart/wit is ongetwijfeld het doek Guernica (1937) van Pablo Picasso. Het iconische schilderij, met de enorme afmetingen van 3,49 m bij 7,76 m breed, toont het bombardement op Guernica tijdens de Spaanse Burgeroorlog.

Het doek was een opdracht van de regering van de Spaanse Republiek en zou worden getoond in het paviljoen op de  wereldtentoonstelling in 1937 te Parijs. Eén van de inspiratiebronnen van het doek is het schilderij “de Executies” van Goya (1814)

Picasso maakte een aantal etsen die een satire waren op de grootheidswaanzin van Franco maar had weinig inspiratie voor een nieuw schilderij. Tot de eerste berichten over het bombardement op Guernica naar buiten kwamen. Picasso begon te werken en verliet het atelier nauwelijks meer. Hij maakte nieuwe schetsen over de gruwel van het bombardement. Het schilderij werd in 6 weken geschilderd in zwart en wit.
Zwart, geen Lampen zwart, geen Ivoorzwart en ook geen Mars zwart. Picasso gebruikte een mat zwart wat ook werd gebruikt voor het schilderen van kachels. Hij kocht het bij een verfhandelaar.

Een goede, Engelstalige, film over het doek vindt u hier.


Robert Motherwell
Als reactie op de verschrikkingen van de Spaanse Burgeroorlog schilderde de Amerikaan Robert Motherwell een hele reeks schilderijen met als titel “Eligie op de Spaanse Republiek”.

Motherwell, één van mijn favoriete schilders, was een Amerikaanse, 20e-eeuwse kunstschilder en een van de bekendste vertegenwoordigers van het abstract expressionisme. De kunstenaar was een jonge twintiger toen de genoemde oorlog in 1936 uitbrak. Het was in Europa voor het eerst dat burgers werden belaagd door luchtbombardementen. Er waren ten gevolge van de drie jaar durende oorlog meer dan een half miljoen slachtoffers te betreuren. Dit maakte zoveel indruk op de kunstenaar dat hij een serie maakte van meer dan honderd monumentale schilderijen, waar Elegie op de Spaanse Republiek, 70 er een van is. In alle schilderijen van de reeks zijn vergelijkbare typerende ritmische eivormige zwarte vlakken te zien. Deze zwarte vlakken zouden verwijzen naar de testikels van stieren. Volgens de Spaanse traditie worden deze aan het publiek getoond aan het einde van elk stierengevecht. Maar je zou er evengoed een vallend bommentapijt in kunnen zien.

Robert Motherwell. Elegie op de Spaanse Republiek no 70, 1961 Olie op linnen 175,3 x 289.6 cm. Collectie: Metropolitan Museum of Art , New York

De vraag of zwart als discutabel en niet als kleur in de schilderkunst kan worden gezien lijken met die doeken van Picasso en Motherwell beantwoord.

Bronnen: Atelier Jan Naezer, Historieknet, Kunstbus, KRO, het Parool

 

 

 

 

Beatrix Wijnand

Stilleven met druiven en hortensia, aquarel

Beatrix Wijnand maakt veel schilderijen in olieverf. Daarin is zij zeer bedreven. Ooit had ik het genoegen haar eerste overzichtstentoonstelling met veel van deze werken te mogen openen. De aquarel heeft een iets bescheidener plaats in haar werk. Dat is onterecht want juist de transparantie van de aquareltechniek is een waardevolle aanvulling. Dat is terug te vinden in dit door haar geschilderde stilleven.

Op mijn atelier geef ik graag les met en naar stillevens, dan leer je echt kijken. Toch is het niet het stilleven wat het onderwerp is, maar de aquarel of schilderij zijn het echte onderwerp. Het blijft ten alle tijde verf op papier of linnen en zal nooit het stilleven worden. Het stilleven zet ik weg, het werkstuk blijft.  Wie de tekst “Ceci cést pas une pipe” van Magritte echt begrijpt, begrijpt wat schilderen is.

Dit betekent ook dat je jezelf de vrijheid moet geven af te wijken van wat ik neerzet. In dit stilleven zaten veel hortensia’s, een moeilijk te schilderen bloem. Het moeilijke van de hortensia is dat wij snel geneigd zijn alle bloemen te schilderen met als resultaat dichtgelopen partijen. Probeer bij deze bloem de bovenkant licht te houden..

In de aquarel van Beatrix liepen de hortensia’s net iets te dicht en dan wordt het pas interessant, dan is de schilder degene die de oplossing voor het werkstuk moet bedenken. De voorste partij veranderde in druiven en de groene fles werd sterker aangezet. Met name dat laatste, het plaatsen van een duidelijk contrast achter de witte kan zorgde er voor dat je blik naar deze witte partij wordt getrokken. Hierdoor werd het evenwicht in de aquarel kundig hersteld.


Het Haagse kunstbeleid, de relativiteit.

In een vorig artikel ging ik in op de kunststromingen die Den Haag kende;

  •  de Haagse School,
  • de Verve
  • de Fugare
  • de Posthoorngroep
  • de ABN-groep.

Wat ik toen vergat te vermelden was dat het toenmalig Haags Gemeentemuseum is ontstaan uit een initiatief van Haagse kunstenaars aangesloten bij Pulchri Studio. De kunstenaars vonden dat er een plaats moest zijn om op museaal niveau kunst uit Den Haag te tonen.
In de jaren na de tweede wereldoorlog begonnen grote steden met het opzetten van een kunstbeleid. In eerste instantie was dat een beleid gericht op de inkomenspositie van de kunstenaar, later richtte het beleid zich meer en meer op de kunst zelf. In het begin werd het in Den Haag het gemeentelijk kunstbeleid bepaald door een enkeling, één iemand kocht aan en gaf opdrachten. Dat veranderde met de oprichting van de Gemeentelijke Commissie voor Beeldende Kunsten, de GCBK.
De GCBK was samengesteld uit leden op voordracht van de kunstenaarsverenigingen Pulchri Studio, Haagse Kunstkring en Arti en leden op voordracht van het Gemeentemuseum, de gemeente Den Haag en diverse gemeentelijke diensten.
Ik was zelf, op voordracht van Pulchri Studio, jaren lang commissielid. Ik maakte deel uit van een aantal werkgroepen waaronder Aankopen, Bijzondere Opdrachten en het Wethoudersoverleg. Dat was een mooie periode waarin met weinig geld veel tot stand werd gebracht.

De 7 spades, Plantsoenendienst
Een aardig voorval uit die periode wil ik u niet onthouden.  Aan de professor Teldersweg staat een beeld wat iedere Hagenaar wel kent,  de 7 spades van de Plantsoenendienst. Deze spades stonden eerst verspreid over een aantal wijken in Den Haag. Bij het 25 jarig bestaan van de dienst werden zij door de dienst als groep aan de professor Teldersweg  geplaatst. In die jaren (1960 – 1998) oordeelde de Gemeentelijke Commissie voor Beeldende over plaatsing van beelden in de openbare ruimte. Het oordeel van de werkgroep Kunst in de Openbare Ruimte was dat deze spades geen kunst waren.
Best vreemd want je kunt de spades best vergelijken met “de Troffel” van Claes Oldenburg, museum Kroller -Muller

“Mooi, als het geen kunst is dan hoeft deze werkgroep er ook niet over te oordelen”. sprak de directeur van de dienst .
Het resultaat was een verbouwereerde commissie en 7 spades die gelukkig aan de professor Teldersweg zijn blijven staan.

7 spades, dienst Groenvoorzieningen, professor Teldersweg Den Haag

De verandering
Met de de GroenLinks wethouder Cultuur Verduyn Lunell kwam ook de verandering in het Haagse kunstbeleid.  Met name de politieke tegenstellingen tussen de wethouder en de secretaris van Pulchri Studio, steunpilaar en mede-architect /oprichter van het CDA, versnelden het proces in de verandering van de positie van Haagse kunstenaars.
De belangrijkste verandering was het uitschakelen van de invloed van kunstenaarsverenigingen door het opheffen van de GCBK. Hiervoor kwam het “onafhankelijke” instituut STROOM/ Haags Centrum voor Beeldende Kunsten met leden van buitenaf in de plaats. Er kwam een professionaliteitstoets die minder gaat over de vraag of een kunstenaar beroepsmatig is, maar waar vooral de smaak van commissieleden leidend is. Zonder die toets was en is het niet mogelijk subsidies aan te vragen of een atelier te huren. Overigens kan dat met die toets ook niet altijd want waar de financiering voor het instituut gewaarborgd is, kregen de Haagse kunstenaars vorige maand de brief dat de subsidies voor exposities en publicaties , net als in de voorafgaande jaren, voor dit jaar op is.

De relativiteit.

Artikel uit de Posthoorn.

Het project “Den Haag in alle staten” was een project waarmee ik de relativiteit van commissies wou aantonen. Een absurd project, ik mag dat zeggen; het was mijn eigen project.

Even een stukje geschiedenis.
De aankopen voor de artotheek werden ondergebracht bij het nieuwe instituut STROOM. Voor één van de aankooprondes bood ik een ets te koop aan. Die werd afgewezen. Dat stak mij enorm en ben toen gaan kijken wat de betreffende commissieleden wel mooi, of beter, interessant vonden. Op basis van de interesses van de commissieleden schreef ik het project “Den Haag in alle staten”, een grafiekproject in de openbare ruimte. De openbare ruimte was destijds erg “hot”. Voor dit project maakte ik de ets opnieuw.  Het idee was om de argeloze voorbijganger te tonen hoe een ets werd gemaakt. Om de drie dagen werd een staat ( een staat is een afdruk van de fase waar de prent zich in bevindt, een tussendruk) op borden, verspreid over 10 locaties in de stad, geplakt om uiteindelijk de definitieve prent te tonen. Deze prent heeft, goed betaald, een aantal weken in hoofdzakelijk regen buiten mogen staan. Hoeveel argeloze voorbijgangers na afloop van dit project  wisten hoe een ets tot stand komt, ik heb mijn twijfels…

Den Haag in alle staten verwees zowel naar de tussendrukken van een ets maar was tegelijk een aanduiding hoe ik mij, na de afwijzing voor aankoop, voelde, ik was in alle staten. Bij de eindverantwoording exposeerde ik alleen de correspondentie. De verstandhouding veranderde.

Terugkijkend was het eigenlijk een hele leuke periode.

Had alles dan moeten blijven zoals het was? Nee beslist niet. Veranderingen zijn goed, geven nieuwe invalshoeken. Maar het doel, de kunst, moet leidend zijn, niet het in stand houden van dure instituten. Mede om die reden pleitte de schrijver Theo Monkhorst (oud gemeenteraadslid voor de VVD) recent nog voor een heroverweging van het Haags beleid beeldende kunsten. Ook hem is dat niet in dank afgenomen.

Dat veranderingen vruchtbaar kunnen zijn heeft Beatrix in haar aquarel goed begrepen. Waar de hortensia’s dicht liepen veranderde  zij deze deels in druiven. Maar haar doel, een goede aquarel, heeft zij niet uit het oog verloren. Daar is zij met verve in geslaagd.

Thérèse van Dijk

Zonsondergang. Therese van Dijk, olieverf op linnen.

Thérèse van Dijk onderzoekt hoe je, door op verschillende manieren te schilderen, verschillende expressies in een schilderij kunt laten zien. Naast dit gelaagd geschilderde doek kent haar oeuvre ook doeken die alla prima zijn geschilderd.  Alla prima (Italiaans voor ‘bij de eerste poging’) is een schildertechniek waarbij een nieuwe verflaag nat over de voorafgaande, nog natte, verf wordt geschilderd. Daarom wordt deze techniek ook wel de nat-in-nat schildertechniek genoemd. Met deze techniek wordt het schilderij binnen een relatief korte tijd geschilderd. De kleuren worden behalve op het palet ook op het schilderij zelf gemengd en nat tegen en over elkaar gezet. Deze techniek is al oud. Al in de 15e eeuw werd, vaak in combinatie met het traditionele laag over laag schilderen, alla prima geschilderd. Een voorbeeld van een combinatie van traditionele en nat-in-nat olieverf is het Arnolfini-huwelijksportret van Jan Van Eyck uit 1434.  Kunstenaars als Rembrandt en Frans Hals lieten zien hoe het alla prima schilderen emotie en energie kan toevoegen aan een schilderij.  In de 19e  eeuw werd het alla prima schilderen een doel op zich. De bijna dansende penseelstreken en kleuren staan prominent in de beroemde werken van Van Gogh.

Dit doek werd deels alla prima en deels gelaagd geschilderd. Het schilderij van Thérèse is ook een goed voorbeeld hoe je met minimaal kleurgebruik een sterk schilderij kunt maken.  Met geel, rood, wit en een gebrande Sienna werd dit doek in dunne lagen geschilderd. Om de kleuren in elkaar te laten lopen werd de verf “verdasd”. Verdassen is een techniek waar bij je met een dassenharen penseel de kleuren in elkaar schildert. De penseel is van dassenhaar gemaakt omdat dit haar weinig verf opneemt.

 

 

Waaierpenseel dassenhaar

 

Ik vind het een goed doek, mooi van compositie , de zon staat in een Gulden Snedepunt, en sterk omdat met weinig verschillende kleuren een krachtig beeld wordt neergezet.

Dat je eigenlijk maar weinig kleuren nodig hebt weet iedereen die wel eens een afbeelding uit de printer laat komen of nu het schilderij van Thérèse op zijn/haar beeldscherm bekijkt. In de meeste printers zitten alleen Cyaan (blauw), Magenta (Rood), Primair Geel en Zwart. Het wit is het wit van je papier. Duurdere printers (voor fotografie) hebben voor de nuances wat meer kleuren. Het beeldscherm  waar je nu op leest is opgebouwd uit de RGB (Rood, Geel en Blauw) kleuren.

Om met olieverf zo goed als alle nuances te kunnen schilderen kan volstaan met de volgende 5 kleuren:

  • Rauwe omber (i.p.v. zwart)
  • Cyaan blauw
  • Magenta
  • Titaanwit
  • Cadmiumgeel middel

Neem dan wel verf van echt goede kwaliteit zoals de verf van Oudt Hollands en werk in dunne lagen. In duurdere verf zit meer pigment.

 


Anders Zorn

Een meester in het schilderen met een beperkt palet was de Zweedse schilder Anders Zorn.
In 2020 is het 100 jaar geleden dat Zorn overleed, maar zijn leven begon in 1860 in Mora, een kleine plaats in de Zweedse streek Dalarna. Hij groeit op in een arm huishouden zonder vader. Na een opleiding aan de kunstacademie in Stockholm en een ‘grand tour’ door Europa, heeft hij de smaak van het reizen te pakken en vestigt zich in Londen en Parijs. Zorn begint met waterverf en gaat later ook olieverf gebruiken. Hij specialiseert zich in portretten die later vooral bij de hogere klasse in de Verenigde Staten in de smaak vallen. Zorn ontmoet zijn vrouw Emma Lamm als hij een portret van haar neefje maakt in Stockholm, en legt via haar familie contacten met de internationale elite.

Beroemd in Zweden, maar in de rest van Europa is hij grotendeels aan de aandacht ontsnapt. Dit najaar brengt Kunstmuseum Den Haag 150 schilderijen, aquarellen en etsen samen in zijn eerste Nederlandse overzicht in samenwerking met het Nationalmuseum in Stockholm en het Zornmuseum in Mora.

De tentoonstelling in Den Haag is van 10 oktober tot en met 31 januari 2021

Anders Zorn, Middernacht, 1891. Olieverf op doek, 69 /102,8 cm Collectie Zorn Museum Mora

Zorn werd vooral bekend door het gebruik van zijn beperkte palet; het Zornpalet. Hij gebruikte de volgende kleuren:

  • Cadmium Rood light
  • Gele oker
  • Ivory Black en
  • Titanium wit.

Door zorgvuldig te mengen lukte het hem om met deze vier kleuren een enorm palet aan kleuren te creëren. Als schilderend zal je ontdekken welk palet jou het beste ligt.

 

Mengingen met het Zorn palet

Een goed artikel, met voorbeelden en uitleg over de kleuren vind je hier Een absolute aanrader om te lezen en te bekijken.

Bronnen: Kunstmuseum Den Haag, Willem de Kooningacademie Rotterdam, The fine Art Collective, van Beek Art.