Jotsna Bhagavatula

De aquatint

In het eerste jaar van de etscursus worden 4 technieken behandeld:

  • lijnets
  • aquatint
  • droge naald
  • vernis-mou

Bij drie van deze technieken wordt de plaat in zuur gebeten alleen bij de droge naald komt geen zuur van pas.
Bij de aquatint is het mogelijk vlakken op de plaat aan te brengen. Die lopen van grijs tot en met diep zwart. Bij een aquatint bijt je in secondes tot (afhankelijk van de sterkte van het zuur) een minuut of drie. Is het vlak van nog niet donker genoeg dan breng je een nieuwe korrel aan. Hoe dat werkt leg ik hieronder uit.
Jotsna maakte eerst een proefplaatje waar, door verschillende bijttijden (van 10 seconden tot 180 seconden) de verschillende tonen te zien waren. Dit proefplaatje werd gebruikt als handleiding voor bovenstaande prent .

Voorbeeld proefplaatjes

Aquatint kan op verschillende manieren worden aangebracht, machinaal via de stuifkast die in de gang staat of met de hand. Een aquatint aangebracht met de hand geeft een schilderachtig beeld.

Maar wat is die aquatint nou eigenlijk? Bij de aquatint wordt een fijngemalen colofonhars (hetzelfde hars welk violisten gebruiken voor hun strijkstok) over de plaat gestrooid. Vervolgens wordt de etsplaat voorzichtig verwarmd (inbranden van de hars). De hars smelt dan en hecht zich op de plaat. Feitelijk ontstaat er dan een raster van zink en hars. Het hars is zuurbestendig,zodra de plaat in het zuur gaat worden er mooie vlakken gebeten. Omdat op zink het zuur zowel rechtstandig als de zijkanten op bijt kan er niet heel lang worden gebeten. Voor echt donkere vlakken moet de hars een aantal maal een aantal maal worden aangebracht en vastgebrand. Partijen welk je niet wilt bijten of niet verder wilt bijten dek je af met een zuurbestendig spirituslak.
De aquatint is best een moeilijke techniek. De prent van Jotsna is haar eerst aquatint en ik vind het zeer respectabel. Mooie prent Jotsna.

Het inbranden van de aquatint.

Spirtiuslak
Spirituslak is niet meer te koop. Er bestaat wel een alfdekvernis op alcoholbasis van Artools, ik vind hem niet prettig werken. Spiritiuslak kan je het best zelf maken.

  • 350 gram Schellak in 65 dl ethanol
  • 400 gram Kopal Manila in 66 dl ethanol

Je lost de schellak en Kopalhars onafhankelijk van elkaar op in ethanol. Drie weken laten staan, af en toe wat schudden. Daarna kan je het mengen. De lak is tranparant. Je krijgt de lak op kleur met beenderzwart of met nigrosine, een kleurstof. De benodigdheden koop je bij de Labshop

Veel meer over de etstechniek en haar geschiedenis leest u hier

Een oud recept voor spirituslak


Het Toebackje

Het stilleven, vervolg.

In het vorige blok schreef ik over het klassieke stilleven. Een aantal van deze klassieke stillevens komen dit jaar aan de orde. Op dit moment staat het Toebackje opgesteld.

Het Toebackje  verwijst naar een type stilleven met rookgerei, zoals tabakspijpen, smeulende henneppitten en komforen met brandende kolen. Soms zijn ook kruiken bier of glazen wijn afgebeeld, soms een citroen. Het werd op bestelling geschilderd en waren over het algemeen niet groot.

Veel symboliek kent het stilleven niet, is er een citroen in het stilleven geschilderd dan is dat altijd in combinatie met een roemer. De citroen diende om de wijn in de roemer op smaak te maken.

Het waren stillevens bestemd voor de gegoede burgerij die louter als decoratie dienden.

Naast het Toebackje bestaan er verschillende soorten stillevens, die in typen worden onderscheiden

  • Banketje
  • Overwinningsstilleven
  • Vanitas
  • Trompe-l’oeil
  • Bloemstilleven
  • Fruitstilleven
  • Stilleven met vis (Met name in Den Haag omdat daar verse vis was en geschilderd werd)
  • Jachtstuk
  • Muziekinstrumenten
  • Markt- en keukenstukken
  • Religieuze stillevens
  • het ontbijtje

Het Stilleven

Dit seizoen start ik met een klassiek stilleven. Klassiek in opbouw. Brood, een jeneverkruik, knoflook en asperges. In het stilleven zitten verwijzingen naar Claesz, Coorte maar ook Morandi.

De benaming stilleven (dode onderwerpen naar de natuur) komt van de Nederlander Houbraken die rond 1700 voor het eerst deze term hanteerde. Als beeldgenre omvat het stilleven de uitbeelding van een roerloos arrangement van dingen, planten, vruchten, dood wild e.d. die door de kunstenaar geordend worden volgens esthetische criteria.

Pas in de late renaissance ontwikkelde het stilleven zich tot een zelfstandig genre. Nederland was een belangrijk land als het gaat om de ontwikkeling van het stilleven. Beroemd zijn de bloemstillevens van bij voorbeeld J. Davidsz de Heem en de meesterlijke tafelstillevens van de Haarlemse schilders  Claesz en Heda. De eerste stillevens werden gekenmerkt door de interesse voor de afbeelding en de weergave van stofkwaliteiten, de late stillevens van de 18de, 19de en 20ste eeuw versterken de formele vormgeving in het middelpunt, zoals bijv. bij Cézanne de kubistische experimenten, bij Matisse de kleurencomposities e.d.

Vaas met bloemen, J. Davidsz de Heem

Tafelstilleven, Claesz

In de late 16de eeuw hebben twee ontwikkelingen bijgedragen tot het ontstaan van het stilleven als zelfstandig genre. Enerzijds zijn dat de als stilleven gegroepeerde voorwerpen in genre- en historiestukken. Anderzijds was dat de toenemende belangstelling voor de natuur en kostbare voorwerpen. Daardoor ontstond een vraag naar dit soort realistische afbeeldingen.

Nog niet
zolang geleden gold het stilleven als een zuiver decoratief genre. De
laatste jaren is evenwel duidelijk geworden dat veel 17de-eeuwse stillevens vaakeen symbolische of moraliserende betekenis hebben. Zo wijzen pronk- en vanitasstillevens de toeschouwer op de vergankelijkheid van het leven en manen tot matigheid. In de loop der tijden is deze betekenis verloren gegaan.

In Leiden ontstonden de eerste ‘memento mori‘; stillevens die zinnebeelden van de vergankelijkheid voorstelden, geaccentueerd door de vaak gebruikte beeldobjecten schedel en kaarsen (allegorische stillevens van het memento mori).

Een jachtstilleven is meer in het bijzonder de afbeelding,
bijvoorbeeld op een tafel, van een of enkele tijdens een jacht gedoode dieren.
Een jachtscène of een jachtstuk is een afbeelding van een jacht of van een
jager met zijn buit.

Bloemstillevens, die kort na 1600 in zwang raakten, waren vooral een specialisme van Vlaamse en Hollandse kunstenaars. De eerste geschilderde boeketten, zoals die van Bosschaert, zijn nog frontaal geschikt, symmetrisch en egaal belicht; iedere bloem is zo goed te zien.

Na verloop van tijd veranderde dat. Allereerst kwam er meer schaduw- en dieptewerking, bijvoorbeeld bij Balthasar van der Ast. Omstreeks 1650
introduceerde Willem van Aelst asymmetrische boeketten, terwijl
Jan Davidsz de Heem toen weelderige boeketten ging schilderen, die zwaar
over de rand van de vaas heen hangen. Zo verschoof de aandacht in de loop vande eeuw van de individuele bloemen, naar het boeket als geheel, en werden de boeketten steeds natuurlijker.

Bloemstillevens waren vaak erg duur. Bloemen waren indertijd nog zeldzaam en de schilder die ze met kunstzinnig vernuft heel precies kon weergegeven in verf, was verzekerd van de hoogste waardering van verzamelaars in heel Europa.

De beroemdste schilder van stillevens van de vorige eeuw is zonder enige twijfel de Italiaan Giorgi Morandi

Bronnen: Wikiperia, Kunstbus, website atelier

Henriette van Steen, portret

Henriette van Steen heeft lange tijd alleen ogen, neuzen en monden getekend. Dat was niet altijd leuk maar met die studies lukte het haar uiteindelijk om portretten de tekenen en te schilderen. Ik heb waardering voor haar uithoudingsvermogen en volharding.

Ik de Kunsthal (Rotterdam) was een expositie met werken van Picasso. Dit werk is geënt op één van de schilderijen die zij daar zag. Mooi zijn de twee doorlopende lijnen van het gezicht in de hals. Het ronde gezicht eindigt in de hal;s als een driehoek. De toon van het schilderij is mooi, al met al een goed portret waarmee ik het nieuwe seizoen graag wil starten.

Pablo Picasso
Picasso mag tot één van de meest invloedrijke schilders van de vorige eeuw worden gerekend. Hij stond aan de wieg van het kubisme.

Het kubisme ontstond als reactie op het intuïtieve fauvisme met zijn felle kleuren en vlakke vormen. Kubisme daarentegen ging in de richting van orde, reflectie en constructie en maakte gebruik van driedimensionaal voorgestelde vormen.

Van de 19e-eeuwse schilder Paul Cézanne, een voorloper van het kubisme, is de uitspraak dat alle vormen in de natuur in feite zijn opgebouwd uit een aantal oervormen zoals bol, kegel, cilinder en kubus. In het werk van Paul Cézanne wordt het klassieke perspectief losgelaten en worden kleuren gebruikt om het gevoel van diepte te creëren. Heldere kleuren staan op de voorgrond en donkere kleuren op de achtergrond. Dit is goed te zien in de serie Mont Sainte Victoire, die werd getoond op een tentoonstelling in 1907 met zijn werken van de laatste tien jaar.[


Les Demoiselles d’Avignon , Piccasso

Het schilderij Les Demoiselles d’Avignon van Pablo Picasso‘s baande definitief de weg voor het kubisme in de schilderkunst. Picasso liet zich hiervoor inspireren door de Afrikaanse maskers die hij zag in het Musée de l’Homme. Op het doek staan vijf prostituees afgebeeld, wier lichamen hij versimpelde tot geometrische vormen. Volgens de dichter Max Jacob zou het kubisme uitgevonden zijn op een avondje bij Matisse, waar deze aan Picasso een Afrikaans beeldje toonde dat hij in zijn bezit had.[

Het belangrijkste – en vernieuwendste – aspect van het kubisme is dat het in eerste instantie om een nieuwe manier van kijken gaat. De oude vragen: ‘Hoe leg ik mijn waarnemingen vast?’ en ‘Hoe geef ik een driedimensionale ruimte weer op een tweedimensionaal vlak?’, die ooit tot de ontdekking van het meetkundig perspectief leidden, werden nu gevolgd door nieuwe vragen: ‘Kan ik volstaan met weer te geven wat ik door één oog zie?’ en ‘Kan ik mijn waarneming vertrouwen?’

Pas na de expositie van Les Indépendants, te Parijs op 25 mei 1910 bestempelde de Franse criticus Louis Vauxcelles in het blad Gil Blas de werken van Georges Braque echter als bizarreries cubiques.

Het melkmeisje en de vakantie

Melkmeisje, Vermeer

Anders dan Picasso schilderde Vermeer de realiteit zoals deze was. Wie het melkmeisje van Vermeer bekijkt zou kunnen denken dat zij, net als ik, met een 2CV met open dak door Frankrijk toerde. Haar onderarmen zijn bruin en we zien heel mooi de afscheiding van de witte huid en de door de zon gebruinde huid.
Vermeer keek en keek goed. Buiten mocht het meisje haar mouwen niet opstropen, dat was niet chique. Zodra zij binnen was gingen de handen uit de mouwen en kon je de afscheiding tussen buiten en binnen goed zien. Ik heb het altijd een leuk detail in dit fenomenale schilderij gevonden.

Weglaten, Leida Boersma

Stilleven met geranium, Leida Boersma, aquarel

Het moeilijkste in de aquareltechniek is het weglaten van zaken. Dingen niet schilderen en ze toch laten zien is ongelooflijk knap. Het lijkt zo simpel maar het moment waarop je moet beslissen te stoppen is vaak het moment waarop je denkt: “nog even daar iets zetten” en weg is je werk.

Op het atelier stond een gecompliceerd stilleven, drie geraniums, een grote blauwe kan, emaillen keukenblikken en een bruine bak. En dan moet je gaan kiezen.

Het knappe van de aquarel van Leida is dat zij precies op het goede moment wist te stoppen, onze hersenen maken het beeld compleet. Er staat een kwart bloempot maar wij weten dat die bloempot in werkelijkheid heel is. Om daar in het schilderen gebruik te maken getuigt van inzicht, dat is knap.

Leida koos voor de impressie en niet voor een fotografische weergave, een keuze die leidde tot deze prachtige aquarel. Op de foto is de aquael een stuk minder dan in het echt.

René Margritte
De Belgische schilder René Margritte (1898-1967) koos wel voor het fotografisch weergeven van zijn onderwerpen maar wist de beschouwer vaak op het verkeerde been te zetten. Eén van zijn bekendste schilderijen is het doek ” La trahison des images “(1928-1929) met als ondershcrift ”  Ceci n’est pas une pipe”. Een realistisch geschilderde pijp welk geen pijp is maar slechts verf op doek. Onze hersenen denken dat het een pijp is. Margritte hoorde tot de surrealisten.

Het surrealisme
Het surrealisme ontstond in 1924 toen de Franse schrijver André Breton zijn ‘Premier Manifeste du Surréalisme’ publiceerde in het tijdschrift De surrealistische revolutie. Hij geloofde in een hogere werkelijkheid, waarin droom en realiteit samenkomen. Zijn manifest betekende tevens het einde voor het dadaïsme, een stroming waarin het irrationele en het toeval op handen werd gedragen. Deze voorkeur voor de vormgeving van het onbevattelijke kenmerkt ook het surrealisme. Spontane uitingen zonder tussenkomst van het verstand, het ‘psychisch automatisme’, is zowel in de surrealistische literatuur als in de beeldende kunst een belangrijk middel om uitdrukking te kunnen geven aan dat wat zich afspeelt in het onderbewustzijn. De Chirigo , was één van de grondleggers van deze stoming.

Freud
De Oostenrijkse neuroloog Sigmund Freud was met zijn methode van de psychoanalyse een belangrijke inspirator voor surrealisten. Freud verklaarde dat het denken, voelen en handelen van de mens grotendeels bepaald wordt door het onderbewuste. Tijdens de slaap zouden onderdrukte gevoelens en verdrongen ervaringen zichzelf prijsgeven in de vorm van dromen. Zo komt de innerlijke waarheid van iedere individuele mens naar boven. De kunstenaars van het surrealisme probeerden het bestaan van het onderbewuste zichtbaar te maken door de droomwereld te verbeelden. Zij droegen de vermeende innerlijke waarheid van Freud hoog in het vaandel. Kunstenaars als Salvador DalíRené Magritte en Max Ernst lieten zich tevens inspireren door de schilderijen van Giorgio de Chirico. Met zijn spel met perspectieven en vreemde combinaties van objecten weet de Chirico de beschouwer te desoriënteren en een mysterieuze sfeer op te roepen, dat vervreemdende beelden oplevert die sterk doen denken aan de wereld van de droom

Yvonne Riphagen

Zonder titel, ets.

De etsen van Yvonne Riphagen zijn geen etsen die als klassiek kunnen worden omschreven. Het zijn collages van etsplaten die zich in de druk tot één geheel vormen. Soms landschappelijk, soms verwijzend naar zichzelf bouwde Yvonne in de loop van de jaren dat zij ets vanuit het stilleven haar volstrekt eigen beeldtaal op.

De etsen worden gedrukt in een kleine oplage, meestal 5, die door de wijze van drukken allemaal verschillen. Met de hand worden op de afzonderlijke platen verschillende kleuren en tonen aangebracht (à la poupee). Al drukkend ontstaat het definitieve beeld.

De ets wordt altijd in spiegelbeeld gemaakt, bij het ontwerpen van de prent (een prent is een afdruk) wordt daar al rekening mee gehouden. Onderstaande afbeelding toont een ets en haar etsplaat.

Op de cursus wordt op zink gewerkt. De platen worden in salpeterzuur gebeten. Door de reactie van salpeterzuur op zink ontstaat een wat grovere, onregelmatig lijn. Zou je de ets in koper bijten dan zijn de lijnen strakker.

Anton Heyboer

Eén van de beroemdste etser is Anton Heyboer. Bij het grote publiek beroemd om zijn 5 bruiden, in de kunstwereld vooral bekend om zijn grafiek uit de Haarlemse en de eerste periode uit Den Ilp

Net als elke kunstenaar begon Heyboer met werk naar waarneming. Onderstaande ets (Schelpenvissers) maakte hij in zijn beginperiode (Drenthe)

In Haarlem en de beginperiode Den Ilp (tot midden jaren 70) ontwikkelde Heyboer zijn museale beeldtaal, zie onderstaande ets. Werken uit die periode zijn opgenomen in veel collecties van musea. Halverwege de jaren 70 richtte hij zich op publiciteit en het grote publiek. Beeldend is Heyboer dan niet meer interessant.