Uitgelicht

Botanisch schilderen.

Greet Duran, de pioenroos (aquarel)

Botanich schilderen

De aquarel “pioenroos” van Greet Duran is een botanische aquarel. Bij het botanisch schilderen gaat het niet om de artistieke vrijheid van de kunstenaar maar om het zo natuurgetrouw weergeven van de bloem. Goed kijken is dus essentieel.

Een potloodtekening waarbij het onderwerp op ware grootte, met de juiste contrasten en toonwaarden wordt uitgevoerd, vormt de basis voor een goede botanische schildering. Vervolgens wordt de tekening overgebracht op aquarelpapier en met aquarelverf uitgewerkt. Niet alleen het kijken maar ook de keuze voor het juiste papier is van belang; de verf moet doen wat de schilder wil.

Aquarelpapier

De aquareltechniek stelt een aantal eisen aan papier: aquarelverf is glacerend opdrogende lijmverf die met behulp van arabische gom of andere in water oplosbare kleefstoffen vervaardigd wordt en die met behulp van water op het papier wordt aangebracht. Het papier moet dus in staat zijn om veel vocht te absorberen zonder dat het golft, of dat de kleuren gaan vloeien. Door een goede verlijming kan dit worden voorkomen en kan er ook geradeerd worden. De verlijming zorgt ervoor dat de pigmentkorrels op het oppervlak blijven liggen  terwijl het vocht in het papier zakt. De beste kwaliteiten aquarelpapier worden uit 100% katoen of linnen vervaardigd.

Aquarelpapier is grofweg in te delen in drie categorieën:

  • Gesatineerd, H.P.(hot pressed), grain satiné(G.S), liscia en grana satinata geven aan dat het papier een gladde oppervlaktestruktuur heeft.
  • Fijngekornd, C.P.Not (Cold pressed/Not hot pressed), grain fin(G.F) en grana fina duidt op een enigzins ruw oppervlak.
  • Grofgekornd, rough, grain torchon(G.T) en grana grossa geven een ruwe struktuur aan.

Greet Duran koos voor een 300 grams gesatineerd hot pressed papier van Arches. Omdat zij weinig water op een dik papier gebruikte hoefde zij het papier niet te spannen.

Website botanische kunstenaars in Nederland

YouTube film over botanisch schilderen

Aquarelpapier spannen

Wie natter schildert zal zijn papier altijd moeten spannen, het gaat anders tijdens het schilderen te veel bobbelen en droogt ook niet recht op. Je kan blokken aquarelpapier kopen. Die zijn aan vier kanten verlijmd maar zijn niet natgemaakt en gespannen.  Tijdens het schilderen zal dit papier dus altijd bobbelen. Ik geef de voorkeur aan losse vellen.

Ik span papier op een multiplex plaat, 3 laags. 1 cm dik dus. Omdat in hout een zuur zit behandel ik de plaat met een dunne laag botenlak. Om te spannen leg ik het papier in een bak water. Ik gebruik daarvoor een lekbak voor de wasmachine. Ik laat het lang liggen, wel een paar uur. Daarna leg ik het papier tussen een handdoek en als het ergste vocht eraf is span ik het met bruin gomtape (6 cm breed) op de plaat. Doe dit in een zo koud mogelijke ruimte of leg er een vel plastic over heen. Hoe langzamer het papier droogt (altijd plat neerleggen bij het drogen!) hoe minder het papier werkt tijdens het schilderen.

Wie geen lekbak tot zijn beschikking heeft maakt het papier nat met een spons en laat het dan tussen plastic een tijd wellen. Goed natmaken en beslist niet wrijven. U wrijft de structuur van het papier snel kapot.

aquarelpapier spannen    aquarelpapier spannen    aquarelpapier spannen    aquarelpapier spannen

 

 

Het Mérode triptiek

Op verzoek van cursisten die geen Facebook-pagina hebben geef ik ook op de pagina Uitgelicht uitleg over het Mérode triptiek.

Mérode tripliek

Het Mérode-altaarstuk werd rond 1430 geschilderd en wordt toegeschreven aan Robert Campin. Campin wordt beschouwd als de grondlegger van de Vlaamse Primitieven.
In dit album ga ik in op het paneel en vertel ik iets over de inhoud en de symboliek. De naam Mérode is van de Belgische adellijke familie, de laatste particuliere eigenaar voordat het werk in 1956 in het bezit kwam van het Metropolitan Museum.
Voor een altaarstuk is het vrij klein. Dat wijst erop dat het niet voor een kerk is gemaakt, maar voor privégebruik. De opdrachtgever was waarschijnlijk de man op het linker paneel, de koopman Peter Ingelbrechts. Het wapenschild van zijn familie is te zien in het raam op het middenpaneel.


Het linker paneel

Mérode tripliek

Het linker paneel van het Mérode-altaarstuk toont de opdrachtgever voor het werk, knielend als ware hij getuige van de aankondiging op het middenpaneel. Die opdrachtgever was Peter Engelbrechts (of Ingelbrechts), uit Mechelen. Waarschijnlijk is zijn vrouw later toegevoegd, na hun huwelijk. Dat geldt ook voor de man bij de poort. Onderzoek met röntgenstralen heeft uitgewezen dat de penseelvoering sterk lijkt op die van Campins leerling Rogier van der Weyden. Hoewel het paneel aan Campin is toegeschreven is het niet uitgesloten dat van der Weyden het paneel schilderde of er aan meewerkte.


Het middenpaneel.

Mérode tripliek

Bij het raam in de linkerbovenhoek (A) ziet u Jezus. Hij komt aanvliegen, nu al met kruis. Hij vliegt rechtstreeks naar de schoot van Maria (C). In het centrum bovenaan zit een rood paneel (B), daarin zit het hoofd van God. Bij D hangt een ketel, een witte handdoek en daaronder de witte bloemen, de lelie. Dit alles zijn symbolen voor reinheid. E en F zijn Getijdenboek en Bijbel. Drie keer staat er een G, een haard die niet brandt, bovenin een kaars die uit is en op tafel ook een kaars die net is gedoofd. Symbolen voor het licht van Christus of God. Het gewone licht had men niet meer nodig, dat kon dus uit.


Het rechter paneel

Mérode tripliek

Het rechter paneel van het Mérode-altaarstuk toont Jozef die rustig aan het werk, onwetend van het bezoek dat Maria op dat moment krijgt van de engel.
Campin maakte dit drieluik toen hij nog in Doornik woonde. Misschien is dat het middeleeuwse stadje dat op de achtergrond te zien is.
Sommigen denken dat het geen toeval is dat Campin Jozef muizevallen liet maken. Eén staat op de tafel, de andere buiten voor het raam. De theorie is dat het vangen van muizen symbool staat voor het vangen van de duivel. Sommige theologen denken dat God Jezus als lokaas naar de aarde stuurde om de duivel te vangen. De muizenval zou verwijzen naar de Heilige Augustinus die stelde dat het kruis van de Heer de muizenval voor de duivel was. Een kopie van de muizenval zet ik hieronder.

Een goede afbeelding van dit paneel  vindt u hier


De Vlaamse Primitieven

De naam Vlaamse Primitieven verwijst naar een groep schilders uit de 15e en begin 16e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden. In de 14e eeuw werkten in Italië vernieuwende kunstenaars als Giotto en Simone Martini, maar er is uit die periode nauwelijks werk bekend uit de Nederlanden. Dat veranderde in de 15e eeuw, toen het welvarende Vlaanderen een centrum voor Europese kunst werd.
Vlaamse kunstenaars verfijnden de olieverftechniek en bestudeerden de mogelijkheden om met lijnperspectief ruimte uit te beelden. Ook ontwikkelden zij het atmosferisch perspectief, door met kleurnuances afstand te suggereren in een landschap. Zij werkten op grote panelen, met aandacht voor het menselijke karakter van diegenen die zij portretteerden.

De Vlaamse Primitieven plaatsten de religieuze voorstellingen in de dagelijkse wekelijkheid, Bijbelse taferelen verschenen in de leefomgeving van hun opdrachtgevers.

Robert Campin, Dirk Bouts, Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes. Jeroen Bosch en Hans Memling zijn bekende Vlaamse Primitieven. Het woord ‘primitief’ betekent vroeg en verwijst naar de vroege periode van deze spectaculaire ‘Ars Nova’ (nieuwe kunst).

De Vlaamse primitieven staan bekend om het realisme, naturalisme en illusionisme (trompe l’oeil) in hun kunst. Een verfijnde olieverftechniek maakte het mogelijk om textiel, metaal en edelstenen zeer nauwkeurig weer te geven. Deze stofuitdrukking kreeg veel aandacht. Ook de weergave van licht en schaduw werd door de Vlaamse primitieven verfijnd. Deze manier van schilderen geeft de indruk dat de kunstenaars de realiteit tot in detail naschilderden, maar de composities zijn zorgvuldig samengesteld, en de portretten zijn vaak gestileerd en soms geïdealiseerd. Dit leidde, dankzij de olieverf, tot verbluffend realisme.
De Vlaamse Primitieven waren ook de eerste schilders die het bladgoud afschaften. Hun werk is gevuld met minutieuze afbeeldingen van rijkdommen, waarbij geen bladgoud maar verf is gebruikt om imitaties te schilderen die veel preciezer zijn dan nabootsing met behulp van bladgoud.

De reden waarom de Vlaamse Primitieven het als eersten zonder bladgoud konden stellen was dat de door hen ontwikkelde olieverftechniek een eigen glans met zich meebracht waarmee de goud makkelijker nagebootst kon worden.. Voor die tijd werden paneelschilderingen gemaakt met temperaverf op eibasis,  Dit geeft een mat beeld. Bladgoud was vrijwel het enige middel waarmee enige glans kon worden aangebracht. Olieverf was het bladgoud van de Vlaamse Primitieven.

Met dank aan Anne Schulte Nordholt en de Statenvertaling online 

Hanny Bermon, de olifant

Uitgelicht: de olifant, potlood met tusche. 

De tekening blijft de basis van de beeldende kunst. Met een simpel potloodje weet Hanny een sterk beeld neer te zetten. Door goed gebruik te maken van dikke lijnen op de voorgrond en dunne lijnen  op de achtergrond ontstaat diepte. De tekening werd aangevuld met tusche.

Potlood
Potloden bevatten al eeuwenlang geen lood meer. Het potlood heeft haar naam te danken aan de oude Grieken en Egyptenaren, die met loodstiften op papyrus schreven. Het zachte metaal liet een grijze streep achter op het oppervlak. Hedendaagse potloodstiften bestaan uit grafiet en klei. Het meest gebruikte soort is het HB-potlood ( in Duitsland F) dat een gemiddelde hardheid heeft. B-potloden zijn zachter, ze bevatten veel grafiet, trekken dikke lijnen en zijn vetter. Vanaf HB tot 9B zijn prima potloden om mee te tekenen.
Grafiet zorgt ervoor dat je met potlood kunt tekenen.  Potloodfabrikanten maken gebruik van zuivere porseleinaarde, dat ook als grondstof voor aardewerk dient. Feitelijk is potlood gebakken porselein met grafiet. Laat je een potlood vallen dan breekt het porselein en is moeilijk om nog punten te slijpen.

Cederhout
Voor de bereiding van de stift worden klei en grafiet eerst fijngemalen, waarna er een bindmiddel aan wordt toegevoegd. Na walsen perst een machine het mengsel door kleine gaatjes, waardoor een stift ontstaat. Voordat er een houten huls omheen gaat, wordt de stift gedroogd en gebakken bij een temperatuur van ongeveer 1200 graden.

Weinig hout is geschikt om als omhulsel van de stift te dienen. Cederhout is de enige optie. De houtsoort is zacht, niet te zwaar en de nerven zijn heel fijn. Bomen die 150 tot 200 jaar oud zijn, leveren het beste hout. De huls van het potlood bestaat uit twee delen die nadat de stift erin is gelegd met lijm aan elkaar worden bevestigd.

Geschiedenis van het potlood
De geschiedenis van het potlood zoals wij het kennen, begint met een storm die in 1564 over het Engelse Cumberland raast en een boom ontworteld. Onder de wortels blijkt een grafietmijn schuil te gaan. Boeren gingen het gebruiken om hun vee te merken. Het materiaal bleek uitstekend toe te passen als schrijfmiddel. In 1761 brengt de Duitser Kaspar Faber een belangrijke verbetering aan. Een mengsel van grafiet, zwavel en hars geeft een strakkere lijn dan zuivere grafiet.

Een echte vernieuwing brengt de Franse kunstenaar en uitvinder Nicolas Conté enkele tientallen jaren later aan. Hij heeft fijngemalen klei vermengd met kwalitatief minderwaardige grafiet en vervolgens het mengsel gebakken in een kalkoven. In 1795 verkrijgt hij patent op de procedure. Een productieproces dat de dag van vandaag nauwelijks veranderd.

Het gummetje
In 1770 ontdekte de Engelse chemicus Joseph Priestley bij toeval dat potloodstrepen verwijderd kunnen worden door er met een stuk rubber overheen te wrijven. Vanaf dat moment worden er stukjes rubber als gum verkocht. Voor de ontdekking van het gummetje werd oud brood gebruikt om potlood van papier te verwijderen.

Tusche
Tusche is ook bekend als Chinees inktstaafje. Het is niet meer dan een blokje geperst houtskool van de pijnboom of dennenboom met  hars of beenderlijm als bindmiddel. Van oorsprong werd het van roet gemaakt.
In het wrijfbakje doe je wat water en dan wrijf je met de steen in het bakje tot je de gewenste kleur hebt.  Tusche is watervast.

 

De boeken

Blank wiesch Gilgamesj zijn wapenen………

Negen boeken met verhalen uit het oude Griekenland, Mesopotamië en Egypte gemaakt tijdens de cursus etsen.

Aan het eind van het jaar heeft iedere deelnemer een boek. Een aantal boeken werden opgenomen in de collectie van de Openbare Bibliotheek aan het Spui te Den Haag en Openbare Bibliotheek Voorburg. Wij maakten er 9 en ik moet zeggen dat nu alles weer goed op de site staat ik nummer 10 nog wel zou willen maken.

Etsen wordt op de woensdagavond gegeven. Hieronder treft u de koppeling naar de betreffende boeken.


De etstechniek

De voorloper van de ets, de gravure, ontstond rond 1400 vanuit de wapensmederijen in Europa. In deze werkplaatsen brachten wapensmeden met scherpe beitels versieringen in harnassen en wapens aan. Als de gravure gereed was, werd ze opgevuld met een zwart email, niëllo, en werd er een nat vel papier overheen gelegd. De niëllo trok voor een deel in het papier en zo ontstond een afdruk in spiegelbeeld van de gemaakte gravure. Deze afdruk werd slechts voor één doel gebruikt: ze fungeerde als staalkaart voor het vakmanschap van de wapensmid. Dergelijke afdrukken vormden goed reclamemateriaal om nieuwe klanten te trekken. Het is dus niet verwonderlijk dat de gravure als reproductietechniek haar oorsprong vond in deze wapensmeden, aangezien de gebruikte techniek zeer gelijkaardig was. Pas in de 16e eeuw begonnen drukkers het proces te gebruiken.

In de periode van het ontstaan van de gravure ontdekte men dat metaal reageerde met een zuur of een base , waarbij het metaal werd aangetast. Hieruit ontstond de etstechniek, die ook steeds meer gebruikt werd in de boekdrukkunst. Het etsen gebeurt op een koperen of zinken plaat. Deze plaat mag gepolijst worden met fijn schuurpapier of een polijstmiddel om een zo glad mogelijk etsoppervlak te verkrijgen. De scherpe randen worden – indien gewenst – van een facet met een schuine kant voorzien, door met een vijl of schaar de zijkanten iets af te schuinen. Dit om te voorkomen dat bij het “afslaan” de handen opengehaald worden en ook om het drukkersvilt te beschermen tegen sneden door de zeer hoge druk van de etspers.

De voorkant (beeldzijde) van de metalen plaat wordt afgedekt met etsgrond, die op een verwarmde plaat wordt uitgerold. Om lokale plekken af te dekken, zoals bij aquatint gebruikt men spiritusvernis. De achterzijde van de plaat dekt men ook af met spirituslak (schellak opgelost in spiritus). Vervolgens brengt de etser met een etsnaald of scherp voorwerp de afbeelding (lijnets) in de afdeklaag aan, rekening houdend met de afdruk die in spiegelbeeld op de afdruk (drager, blad) komt te staan.

Afhankelijk van het gebruikte metaal en de bedoelingen van de etser, wordt de plaat in zuur of in zout gebeten (geëtst). Het bijten in een zoutoplossing (van ijzerchloride) heeft als nadeel dat het de lijnen uitsluitend in de diepte bijt. Een ander nadeel van bijten in zout is dat de ijzerchlorideoplossing een ondoorzichtige bruine vloeistof is. De etser ziet dus niet wat hij doet, maar moet weten hoelang hij een plaat moet baden om tot een goed resultaat te komen. Bovendien dient de etsplaat omgekeerd – met afbeeldingskant naar beneden – in de etsbak te worden geplaatst. Bijten in koper kan met salpeterzuur en ijzerchloride. Bij salpeterzuur is de lijn rafelig en heeft deze de neiging iets breder te worden. Na het inbijten wordt de etsgrond verwijderd met terpentine.

Als een plaat klaar is, wrijft men in de lijnen inkt. Vervolgens wordt de plaat afgeslagen: de inkt wordt eerst met prop papier van de plaat afgewreven, vervolgens wordt met een snelle beweging van de hand, waarbij de muis van de hand heel licht over de plaat gaat, het oppervlakte van de etsplaat volledig schoongeveegd. Dit heet ‘afslaan’, zodat alleen de inkt in de geëtste partijen blijft staan. Daarna drukt men de ingeïnkte plaat onder een etspers af op ingevocht papier. Eerst legt men 2 – 3 lagen vilt over het bewerkte etspapier dat over de afgeslagen etsplaat ligt. Door de zeer hoge druk van de etspers – tussen de 900 en 2000 kg daar waar de wals het vilt raakt- duwen de lagen vilt het papier in alle met inkt gevulde lagen van de etsplaat en gaat het ingevochte papier een noodgedwongen synthese aan met de etsinkt op oliebasis.

        

Tijdens het etsproces maakt de etser regelmatig proefdrukken of tussendrukken. Deze tussendrukken noemt men staten. Op basis hiervan kan telkens een volgende stap gezet worden.

Naast de gewone lijnets bestaan er ook andere etstechnieken. De aquatint en de vernis mou zijn de belangrijkste.

  • Aquatint: deze etstechniek is ideaal om toonverschillen – van lichtgrijs tot dekkend zwart – te verkrijgen. De gepolijste etsplaat wordt in een stuifkast (die kast staat op de overloop) gelegd, waar op de plaat met harspoeder of asfaltpoeder wordt gestoven. Na enige tijd – varieert van seconden tot minuten – wordt de plaat uit de kast genomen en op een rooster gelegd. Met een gasvlam wordt nu de plaat gelijkmatig verwarmd zodat de harskorrels of het asfaltpoeder smelten.
  • Vernis mou: bij deze techniek wrijft men de bovenkant van een opgewarmde metalen plaat in met zacht vernis (schapenvet en bijenwas). Vervolgens legt men papier boven het vernis. Door rechtstreeks op het papier te tekenen, ontstaat er een tekening in het zachte vernis. De lijnsoort is sterk afhankelijk van het gebruikte tekenmateriaal. Door rechtstreeks materialen (met een duidelijke textuur) in de zachte vernis aan te brengen kunnen ook allerlei structuren aangebracht worden op de etsplaat
  • De droge naald is eigenlijk geen etstechniek, maar wel een aan de ets verwante diepdruktechniek.

Uitgelicht

Axel Wintzen

Krentenboom
Axel Wintzen
Houtskool op papier.

De foto die de vrouw van Axel maakte was aanleiding voor een houtskooltekening.  De kleur voor de sneeuw was het wit van het papier. In deze tekening moest heel veel worden weggelaten. Een moeilijke manier van werken want alles wat teveel is stoort. Het lukte Axel om met weinig middelen een hele krachtige, Japans aandoende tekening neer te zetten.

Tekenen is de basis van de kunst, houtskool hoort tot de basismaterialen. Het wordt gemaakt van verschillende houtsoorten bijvoorbeeld wilg, eik of heide. Er worden fijne poreuze takken zonder knoesten geselecteerd en deze worden verbrand. Door de verbranding te stoppen voordat alles volledig tot as is vergaan ontstaan er verkoolde stukken. Van deze stukken worden uiteindelijk de staafjes houtskool gemaakt. Houtskool werd en wordt vaak gebruikt voor het maken van studies, snelle schetsen als voorbereiding op het uiteindelijke werk.

Het papier moet wel een iets ruwe structuur hebben anders hecht het zich niet. Net als pastelkrijt, moet ook houtskool gefixeerd worden om te voorkomen dat het af blijft geven of gaat vlekken. Houtskool kan met de vingers uitgeveegd worden om speciale effecten te bereiken. Er zijn ook doezelaars  in de handel, dit voorkomt dat je erg vieze handen krijgt en zo vlekken op je eigen werk maakt. Een gewoon wattenstaafje kan overigens ook heel goed gebruikt worden om de houtskool mee uit te wrijven. Houtskool tekeningen kunnen gecorrigeerd worden met kneedgum. Het beste is dan om te deppen en niet te wrijven over de tekening.