Rob Taal

Sumatranen, Rob Taal. Lijnets, aquatint, hoogdruk.  

Rob Taal, een vakman die de techniek van het etsen goed beheerst. In bovenstaande ets (Sumatranen), vissen die naar beneden zwemmen) gebruikt hij de lijnets, aquatint en hoogdruk op een goed wijze door elkaar. De foto is wat minder, dat ligt aan mij.

Taal is gedreven, heeft thuis een etspers staan. Van origine kok maakte hij een aantal prenten waar koksgereedschappen het onderwerp vormden. Ik vermoed dat het feit dat hij kok is geweest, ook dat is een vak waar veel vakmanschap aan te pas komt, de basis is voor zijn werkwijze.

De ets is gemaakt op een zinken plaat die aan de bovenzijde met een zuurbestendige waslaag werd afgedekt. In die waslaag maak je de tekening en, nadat de plaat ook aan de achterzijde is afgedekt, gaat de plaat in een bak salpeterzuur. Het bijtend zuur doet dan zijn werk en bijt de lijnen steeds dieper in. Hoe langer een plaat in het zuur ligt , hoe dieper de lijnen. Wil je een afdruk maken dan smeer je de plaat in met inkt (ininkten) en draai je met een kurk of je vinger de inkt in de uitgebeten lijnen. Het oppervlakte maak je  schoon met een krant en je handen, afslaan in vaktermen; je slaat de inkt van de plaat af. Alleen in de groeven blijft de inkt staan en dat wordt afgedrukt.  De diepe partijen houden dus inkt; een lijnets is daarom een diepdruktechniek.

Aquatint
Rob Taal gebruikt ook de aquatint, dat zijn de donkere egale partijen die je in de prent ziet zitten. Bij de aquatint wordt een zuurbestendige hars in fijne korrels over de plaat gestrooid en vast gebrand. Op die manier ontstaat een raster Tussen de harskorrels ligt het metaal van de plaat open en kan deze worden gebeten. Aquatint bijt je in secondes tot een minuut of drie en wordt gebruikt om egale vlakken te krijgen. Echt zwarte vlakken moeten een aantal malen met hars worden bestrooid en gebeten.  Als uitvinder van de aquatint geldt J.B. Le Prince, midden 18e eeuw. Goya werd er beroemd mee. Ook de aquatint hoort tot de diepdruktechnieken.

Hoogdruk
Het geel daarin tegen is een hoogdruk techniek. Met een rubberen roller wordt een kleur over het blanke oppervlakte van de plaat gerold. Dat moet in een keer goed, zo niet dan moet je opnieuw beginnen.

Rob heeft deze technieken uitstekend gecombineerd in de prent Sumatranen.

Evelyn Waugh
“Oxford, in those days, was still a city of aquatint. In her spacious and quiet streets men walked and spoke as they had done in Newman’s day; her autumnal mists, her grey springtime, and the rare glory of her summer days – such as that day – when the chestnut was in flower and the bells rang out high and clear over her gables and cupolas, exhaled the soft airs of centuries of youth. It was this cloistral hush which gave our laughter its resonance, and carried it still, joyously, over the intervening clamour.”

Zo omschreef Evelyn Waugh de stad Oxford in zijn boek Brideshead Revisited. Doe je ogen dicht en je ziet de stad in grijzen. Een mooiere ode aan de aquatint ken ik niet.

 

 

 

 

Lidwien de Jong

 

De eerste aquarel van Lidwien na de lockdown was een complete verrassing. Een stilleven met Franse koffiekanen en tulpen waren het onderwerp waar zij met verve een schitterende aquarel van wist te maken. Niet het schilderen is het moeilijkste, maar het op het juiste moment weten te stoppen. Dat laatste, het zien wanneer een werk af is en dan, al popelen je handen om verder te gaan stoppen, is de kracht van deze aquarel.

Zij maakt mooi gebruik van slechts een paar kleuren, rode, groenen en een blauw. De onderlinge meningen zorgen voor een uiterst harmonieus resultaat. Let eens op de schaduw onder de kant en hoe mooi deze, in kleur, in een ijle toon naar beneden loopt.

Het klinkt altijd wat vreemd maar de slogan van de HEMA “Meer met minder” kan heel goed bij een aquarel worden toegepast. Met weinig middelen heel veel zeggen; de kracht van dit werkstuk.

Twee Corona-prenten

           

Ook dit jaar legt het coronavirus het seizoen voor lange tijd stil. Langer dan in de voorafgaande periode.

Weer kan ik niet anders dan de lessen stil leggen en mij terugtrekken op het atelier aan het Ledeganckplein, de sociale isolatie ten voeten uit. Hoewel ik het seizoen na een zomerstop wil laten doorlopen tot de herfstvakantie weet ik nu al dat ik het aantal lessen wat een jaar kent, niet zal kunnen geven. Na de herfstvakantie met dit seizoen verder gaan is financieel niet haalbaar.  Vervelend voor al die cursisten die wel het hele seizoen betaalden en dat maar gedeeltelijk konden volgen.

Als compensatie maakte ik twee prenten. Twee, omdat ik weet dat niet iedereen een voorkeur voor non-figuratief heeft. Ik ga u, naast de verlenging van het seizoen tot 16 oktober 2021 een prent geven. U heeft daarbij de keuze tussen “de kommetjes” of  “No.6068”.  Net als bij de vorige Corona-prent is de afspraak dat u het hele seizoen betaalt.

Als u mij uw voorkeur mailt dan ga ik ze drukken. Beide prenten worden “à la poupée” gedrukt, dat wil zeggen dat de kleur met een prop handmatig gedeeltelijk wordt verwijderd. Elke afdruk is dus anders. Hieronder geef ik u de prent en de technieken.

 


“De kommetjes”. Het is het onderwerp waar ik bij de aquarellessen altijd mee begin. Als ik de aquarel voordoe gebruik ik altijd blauw.

Technieken:

  • ets
  • zaging
  • hoogdruk

Het beeldformaat van de ets is 17, 5 bij 17, 5 cm. Het bladformaat moet ik nog bepalen.


No. 6068

Technieken:

  • lijnets
  • wildbijting
  • vernis-mou
  • zaging
  • hoogdruk
  • bladgoud.

Het beeldformaat van deze ets is 24 bij 13 cm en ook hier moet ik het bladformaat nog bepalen. Deze prent is moeilijk te drukken, het kan dus even duren voor ik de oplages af heb.

 

Gijsbert Harder

Met veel oog voor detail schilderde Gijsbert het oude Mariabeeld. De details zijn zo sterk geschilderd dat het bijna een echt beeld lijkt. Door de schaduwwerking komt het kind los van de moeder. Het blauw in de achtergrond sterk en heel passend bij dit onderwerp. Door het blauw iets over de mantel te zetten krijg ik het gevoel dat het beeld uit de achtergrond komt zetten.

Als je de plooien van de jurk bekijkt dan lijkt het net een geboetseerd stuk. De kleur van de schaduwen zorgen voor een goede samenhang.
Een sterk, thuis in lockdown geschilderd, doek (het is in acryl geschilderd) net wat ik al zei, met heel veel oog voor detail.


Rembrandt
Wie ook oog voor detail had was Rembrandt van Rijn.  Op het schilderij “Bathseba met de brief van koning David” zien we Hendrickje Stoffels.

Rembrandt: Bathseba met de brief van koning David 1654, collectie Louvre

Het schilderij refereert aan het Bijbelse verhaal van koning David, die zijn oog had laten vallen op de mooie Bathseba. Vanuit zijn woning kon hij haar zien als ze ging baden. Bathseba was echter getrouwd. David loste dit echter op door haar man Uria bewust met de fronttroepen ten oorlog te sturen, waar deze later sneuvelde, als verwacht. Nog terwijl haar man aan het front streed, liet David Bathseba per brief bij zich ontbieden en maakte haar zwanger. Na de dood van haar man kon hij haar huwen en verwekte nog meer kinderen bij haar. Het doek zou later door de kerkenraad tegen haar worden gebruikt.

Het schilderij laat nog iets anders zien. Wie de linkerborst goed bekijkt ziet dat Rembrandt niets verhulde. De blauwe plek op de linkerborst en de lichte vervorming onder de linker oksel leidden onder kunsthistorici en medici tot speculaties dat zij overleden zou zijn aan borstkanker. Hendrickje Stoffels is inderdaad jong overleden, vermoedelijk met borstkanker maar officieel overleed zij aan de pest.

Detail linkerborst.

Rembrandt en zijn vrouwen.

Saskia Uylenburg
In juni 1633 verloofde Rembrandt zich met de toen twintigjarige Saskia Uylenburgh. Saskia, de dochter van een burgemeester en de nicht van de bekende kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh was een wees en had de beschikking over een royale bruidsschat. Een jaar na hun verloving traden zij in het huwelijk. In 1639 kocht Rembrandt  een huis in de Anthonie Breestraat te Amsterdam. In dit huis is het Rembrandthuis gevestigd. Saskia kennen wij van de statige portretten.

Saskia en Rembrandt kregen vier kinderen:  Rumbartus en twee dochters die naar naar de moeder van Rembrandt werden vernoemd; Cornelia. De drie kinderen overleden vlak na hun geboorte.  In 1641 werd Titus geboren. Titus was de enige van hun vier kinderen die in leven bleef. Een jaar na de geboorte van Titus overleed Saskia, nog geen dertig jaar oud. 

Geertje Dircx
Na de geboorte van Titus was Geertje Dircx aangesteld als kindermeisje (“droge min” zoals dat officieel heette). Na het overlijden van Saskia werd Rembrandt verliefd op Geertje. Zij kregen een verhouding en hoewel niet getrouwd leefden zij openlijk als man en vrouw. Als teken van trouw schonk hij Geertje de juwelen van zijn overleden echtgenote Saskia.  Dat leidde al snel tot problemen. De familie van Saskia, in de persoon van Titus’ voogd, Hendrick van Uylenburgh, maakte zich grote zorgen. De gezondheid van Geertje was niet best, dus het risico dat de nalatenschap aan Titus zou ontglippen, was reëel. Rembrandt wist de gemoederen te bedaren met de belofte dat Titus de juwelen na de dood van Geertje zou terugkrijgen.

Geertje hoopte dat Rembrandt hun relatie zou bekrachtigen met een huwelijk. Maar intussen was de veel jongere Hendrickje Stoffels  verschenen en Rembrandt werd opnieuw verliefd.  Geertje eiste voor de Amsterdamse “Huwelijkskrakeelkamer”, dat Rembrandt zijn belofte met haar te trouwen zou nakomen. Het schenken van de juwelen was voor de Huwelijkskrakeelkamer reden aan te nemen dat dit ook Rembrandts intentie was. Rembrandt weigerde en stelde een alimentatie van 5 gulden per maand voor. Dit voorstel werd door de Huwelijkskrakeelkamer afgewezen. Het oordeel was dat Rembrandt niet hoefde te trouwen maar wel  werd veroordeeld tot een alimentatie van 300 gulden per jaar. Geertje nam wraak door de juwelen te verkopen.

Helaas; Geertje werd op verzoek van haar familie en in overleg met Rembrandt ondergebracht in tuchthuis in Gouda. In dit soort huizen werden mensen door familieleden opgesloten om hun eer en reputatie te redden door de persoon in kwestie buiten de samenleving te plaatsen. Het tuchthuis had aanvankelijk zijn bedenkingen tegen opname van Geertje maar kon het geld wat Rembrandt voor haar verblijf betaalde goed gebruiken. Na vijf jaar kwam Geertje weer vrij. Rembrandt kon door zijn faillissement het kostgeld niet meer betalen.

Hendrickje Stoffels
Inmiddels was Hendrickje Stoffels de minnares en muze van Rembrandt geworden. Zij poseerde naakt en naakt poseren was in die tijd geen neutrale zaak. Veel modellen waren prostituees en naakt poseren was al genoeg om een vrouw van het ergste te verdenken. Officieel is er geen gedocumenteerde afbeelding van Hendrickje bekend. Wel bestaan er een aantal Rembrandts uit de periode waarin Hendrickje met hem samenwoonde, waarop zij mogelijk is afgebeeld. Toen Hendrickje al vijf jaar bij hem was en in verwachting van hun dochter was, moest zij het plotseling ontgelden. Naar verluidt zou het schilderij ‘Batheseba met brief van koning David’ (zie het schilderij boven) daar aanleiding toe zijn. Het schilderij werd door de kerkenraad gezien als  provocatie. Daarnaast was zij zwanger en ook dat zal zeker een rol hebben gespeeld. Hendrickje verscheen voor de kerkenraad om zich te verantwoorden voor het ‘in hoererij verloopen met Rembrandt als schilder’.  Omdat Rembrandt geen belijdend lid was  werd hij hier niet op aangesproken.  Zij bekende schuld en werd ‘daerover ernstelijk bestraft, tot boetvaerdicheijt vermaent en van den tafel des Heeren afgehouden’. Zij mocht dus niet meer meedoen aan het Avondmaal in de kerk. Drie maanden na haar veroordeling beviel Hendrickje van hun dochter Cornelia.

In 1656 ging Rembrandt failliet en moesten zijn bezittingen worden geïnventariseerd en verkocht. Op 14 februari 1658 machtigde de Desolate Boedelskamer van Amsterdam de conciërge om meubels en huisraad van Rembrandt te verkopen. Bij de huisraad zat ook een eikenhouten kast die van Hendrickje Stoffels bleek te zijn. Zij bewaarde daarin linnen, wol, zilverwerk, gouden ringen en andere zaken, ter waarde van zeshonderd gulden. Hendrickje Stoffels eiste en kreeg de kast terug. Omdat de  opbrengst van de verkopingen niet genoeg was om alle schulden en de hypotheek op hun huis te betalen ( het huis werd met een verlies van tweeduizend gulden verkocht) begon Hendrickje Stoffels met Titus van Rijn een kunsthandel: zij verkochten schilderijen, tekeningen, kopergravures, houtsneden en rariteiten. Rembrandt kwam als onbetaalde werknemer in dienst van deze firma (*noot: Anton Heijboer had eenzelfde constructie), waardoor hij werd gevrijwaard van claims van zijn schuldeisers. In 1663 overleed Hendrikje.

Bronnen:

  • Historieknet,
  • Cultuurwijs,
  • Wikipedia,
  • Oud-Edam,
  • Rembrandthuis
  • A. Overbeek (red.), Rembrandt zijn leven zijn schilderijen (1984), blz. 240 en 292 – 293.

 

Jeannette Voorbij

Jeannette Voorbij ken ik als een schilder die in dunne laagjes een schilderij opbouwt, een schilder die soms net iets te aarzelend of te doordacht haar doeken schildert. De aarzeling heeft zeker zijn voordelen, bij mijn eigen werk stel ik ook heel vaak iets uit, maar het kan ook ten koste gaan van de spontaniteit. En dan opeens wordt dit zeegezicht geschilderd, met een ferme toets is volstrekt overtuigend een schilderij neergezet. Een absolute topper in haar oeuvre.

Een dun geschilderde achtergrond tegen de wat dikker en a la prima geschilderde toetsen van de zee zorgen voor een mooie diepte in het werk.  De zee zwelt in toets van dun naar dikker aan. Een prima vertaling van het atmosferisch perspectief.

Erg mooi vind ik de combinatie van blauwen aangevuld met okers en groenen. Mooi doek Jeannette.


De Nachtwacht

In het Rijksmuseum hangt een schuttersstuk van Rembrandt. Hij voltooide het doek in 1642 en heeft als titel “De compagnie van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren”

Zo kennen wij dit doek niet. Wij kennen het doek onder de naam “de Nachtwacht”. Maar waarom wordt het doek eigenlijk zo genoemd? De naam ‘De Nachtwacht’ heeft het schilderij in de achttiende eeuw gekregen. Rembrandt gebruikte een damar-vernis. Dit vernis werd in de loop van de tijd steeds donkerder. In combinatie met de donkere kleuren die Rembrandt gebruikte werd daarom aangenomen dat het afgebeelde tafereel zich ’s nachts afspeelde. Zodoende kreeg het de naam waaronder wij het nu kennen.

Bij één van stillevens die in in de rubriek thuis plaatste, stelde ik de vraag waarom het meisje in de Nachtwacht een kip vasthield. In de tijd van Rembrandt werd niets aan het toeval overgelaten. Het meisje staat met Banninck Cocq en van Ruytenburgh centraal en in het volle licht. Zij symboliseert de kloveniers. De klauwen van de kip die aan haar gordel hangt, verwijzen naar de naam ‘clauweniers’. In haar hand houdt de ceremoniële drinkhoorn van de kloveniers vast.

De Nachtwacht is oorspronkelijk een stukje groter geweest. Toen het schilderij in 1715 verhuisde van de Doelen naar het Stadhuis op de Dam, werd het aan drie kanten verkleind. Het schilderij moet ongeveer 400 bij 500 centimeter groot zijn geweest. Dit is niet de enige keer geweest dat het werd verplaatst. In de negentiende eeuw hing het in het Trippenhuis en tijdens de Tweede Wereldoorlog is het, opgerold en wel, in de mergelgrotten in Limburg ondergebracht.

In de Nachtwacht zitten 15 verborgen details. Een artikel uit het Parool laat ze zien en beschrijft ze. U kunt onderstaande  foto van de Nachtwacht die bij dit artikel hoort hier openen en vergroten. Leuk om in de lockdown te bekijken.

Smalt
Rembrandt kon dus wel degelijk honden schilderen (nr 1 op de pagina van het Parool, zie boven), hij gebruikte alleen een verf die niet kleurecht was; smalt. Smalt werd gemaakt van gemalen kaliumglas en kreeg zijn blauwe kleur door toevoeging van kobaltoxide. De kleur staat al vermeld op de kleitabletten uit de bibliotheek te Nineveh ( Egypte, zo’n 1000 jaar voor Christus). Door de opkomst van de glasindustrie werd de kleur opgenomen in schilderateliers. Na het ontdekken van de kleur kobaltblauw verdween de kleur. Winsor&Newton gaf bij haar 150 jarig bestaan de kleur in aquarel als relatiegeschenk in een zeer beperkte oplage uit. Ik heb twee tubes,  niet om te gebruiken maar gewoon om te hebben. In olieverf blijkt de kleur perfect als siccatief (droogmiddel) te werken.

Er zijn altijd wel vreemde kleuren geweest.
In 1972 kocht ik bij Stahlecker, een schilderswinkel op de Boekhorststaat Den Haag, een ons van het pigment Mummie, een wat groen/bruine kleur. Pas later begreep ik dat het pigment bestond uit afgeschraapte huid van een echte mummie. Dat dit uiteindelijk verboden werd is niet meer dan vanzelfsprekend. Ik heb er wel spijt van dat ik het restje wat ik had heb weggegooid.

Een andere vreemde kleur was Schijtgeel, een gele kleurstof die snel verkleurde. Een oude kleur (Cennini beschreef hem begin 1400 al in zijn handboek) die zijn naam waarschijnlijk dankt aan het feit dat de kleur werd gemaakt van bessen van de wegedoorn. Deze plant had een grote laxerende werking. De kleur was transparant en alleen geschikt voor glacis. Alleen verkleurde het geel bijzonder snel De verkleuring van dit geel is mooi te zien in “het straatje” van Vermeer. Als je de foto vergroot zie je aan de linkerkant een blauwe klimop. Deze klimop was van oorsprong groen door het glacis van het warme geel.

De herkomst van een kleur is vaak aan de naam te herleiden, Sienna’s komen uit Sienna en Napels geel hoeft ook geen uitleg. Mooi zijn de Caput Mortuum kleuren. De Nederlandse naam is Dodekop. Het is een rode en paarse verfstof. De alchemisten gebruikte de Latijnse benaming caput mortuum. Dit betekent dood hoofd. Het was een pigment welk werd gemaakt uit het niet bruikbare (dode = mortuum) residu, dat na het distilleren in de kop (Caput) van het distilleerapparaat overbleef. De kleur wordt ook wel Ossenbloed genoemd. Niet omdat het van bloed wordt gemaakt maar omdat de kleur op ossenbloed lijkt.

 

 

 

 

Bob Ross

Museum MORE, Gorsel. 19 november 2020 t/m 11 april 2021.

“We don’t make mistakes, we just make happy accidents” , een gevleugeld begrip van de Amerikaanse schilder Bob Ross. Als eerste museum ter wereld wijdt het museum More in Gorsel een solotentoonstelling aan de nog steeds immens populaire schildercoach en culticoon Bob Ross. Miljoenen mensen hebben zijn tv-serie The Joy of Painting gezien waarin Bob telkens binnen 26 hypnotiserende minuten een landschap neerzette. Artistiek directeur Ype Koopmans van museum More: ”Bob Ross is een prachtig fenomeen in de populaire cultuur. Een ontwapenend blije promotor van schildervreugde die op een authentieke en laagdrempelige manier angst voor kunst maken en kunst kijken wegneemt”.
Het museum toont niet alleen 40 schilderijen maar bij elk schilderij kunt u ook de stem van Ross horen terwijl het werk wordt gemaakt. Of Bob Ross tot de kunst mag worden gerekend kunt u het beste zelf gaan bekijken.

Bob Ross maakte tussen 1983 en 1994  381 afleveringen van de televisieserie “The joy of painting”. Met zijn bijna hypnotiserende stem groeide hij uit tot een fenomeen. Iedereen kon schilderen, je creëert je eigen wereld en die wereld die is altijd mooi. Niet het schilderij maar het plezier in het schilderen stond centraal. Na zijn overlijden, Ross stierf in 1995 op 52 jarige leeftijd, bleef de serie populair. Wie op YouTube zoekt ziet dat zijn films miljoenen keren zijn bekeken. Wie de films bekijkt moet zich realiseren dat Bob Ross elk schilderij drie keer schilderde. Eén keer als studie, één keer voor zijn televisieopname en één keer voor de foto in het boek.

Bob Ross, beroepsmilitair voor hij schilder werd, is nooit doorgedrongen tot het officiële kunstcircuit, het was geen kunst met een grote K. Zijn werk werd omschreven als een trucje en als uiterst commercieel gezien. Dat Ross commercieel was staat buiten elke discussie. Hij zette zijn eigen lesmethode op en ontwikkelde de Bob Ross-verven.

Commercieel deed en doet het atelier Ross het niet slecht. De Bob Ross Inc  is gevestigd in Herndon, Virginia, Verenigde Staten. Het bedrijf maakt deel uit van de Education & Training Services Industry. Bob Ross Inc heeft in totaal 17 werknemers over verschillende vestigingen en genereert een jaaromzet van $ 1.50 miljoen  met de verkoop van speciale Bob Ross-olieverf, -penselen, -T-shirts, -sokken en zelfs -broodroosters. En je kunt er een opleiding volgen om zelf als gecertificeerd Bob Ross-docent schildercursussen te geven in de stijl van Bob Ross. Wereldwijd zijn bijna 1400 cursusleiders ­actief. Niet echt slecht voor een schilder. (bron Dun & Bradstreet)

De schilder had zijn eigen kleurenpalet ontwikkeld. Kijkers van ‘The Joy of Painting’ kennen allemaal zijn ‘Dark sienna’, ‘Prussian blue’ ‘Sap green’ en ‘Van Dyke brown’. Uiteraard zijn het precies deze kleuren die aan cursisten worden ­aanbevolen om het gewenste resultaat te bereiken.

bronnen: © Bob Ross Inc, © Museum More, het Parool


Van Dijck bruin

Keulse aarde, ook bekend als Van Dijckbruin of Kasselse aarde, is een bruin pigment. Het pigment wordt al sinds de vroege zestiende eeuw toegepast. Het is aangetoond in het werk van Gerard David. In het algemeen werden aardpigmenten, bestaande uit gemalen aardlagen, al sinds de oertijd gefabriceerd. Ze waren goedkoop maar een nadeel lag in een wat lage verzadiging en het niet altijd in de omgeving voorhanden zijn van rotslagen van de geschikte kleur. Door een aardpigment te verhitten, “branden”, kon de kleur wat warmer worden gemaakt. In het Rijnland en de Lage Landen kwam men op het idee om simpelweg turf of humus als warmbruin pigment te gaan inzetten. Na voldoende droging kan de substantie met lijnolie vermengd worden. Het pigment had dan een zeer hoge component aan organische stoffen, met vaak wat silicaten, mangaanoxide en ijzeroxide. Het pigment werd oorspronkelijk vooral gebruikt voor de schaduwtonen in onderschilderingen en voor vleestinten.

In de vroege zeventiende eeuw werd het een bekender pigment, wellicht door de Dertigjarige Oorlog die de handelsroutes met Italië afsneed, waarvan de beste “aarden” kwamen. In de late zeventiende eeuw, de achttiende eeuw en de negentiende eeuw nam de populariteit van het pigment toe. Tijdens de Romantiek vond men zulke diepbruine tinten zeer romantisch. Engelse fabrikanten noemden het pigment Van Dyke Brown of Vandyke Brown naar de schilder Antonie van Dyck, wiens werk gekenmerkt wordt door fraaie bruine partijen.

Anthonie van Dyck is dus niet de ontdekker van de kleur. Toch is er wel iets naar de schilder vernoemd. De baard die de schilder had wordt in Engeland nog steeds een  “van Dyke” genoemd.

 

Bronnen: Wikipedia, Balding Beards UK.