Hester Abbink

Hester Abbink, olieverf op jute

Het schilderij van Hester bestaat niet meer, er is al een nieuw doek overheen geschilderd. Qua schilderwijze maar ook in filosofie heeft zij daarmee wel wat weg van de Engelse schilder William Turner. Beiden hanteren het uitgangspunt: “het gaat meer om het schilderen dan om het eindresultaat”. Dat vind ik een mooi uitgangspunt voor de start van een nieuw seizoen.

Hester is de schilder van het gebaar. Met grote, grove streken bouwt zij met penseel en paletmes haar doeken op. Doeken die daarna deels worden weggepoetst  waarna weer nieuwe lagen over het beeld worden aangebracht. Zij schildert het schilderij en laat zich door de verf verassen.

Dat is een moeilijke manier van werken, je moet het lef hebben uit de comfort-zone te stappen om iets volstrekt nieuws aan de wereld toe te voegen. Bij dit doek was ik zeer content, maar Hester niet. Dat resulteerde in een nieuwe opzet over dit bestaande doek. “Verloren landschap “, het zou de perfecte titel zijn geweest.

De witte, met geel omhulde, vlekken achterin, de suggestie van een weg met de zwarte en blauwe strepen; het doek heeft iets van het symbolisme en gelijk heeft het raakvlakken met de manier van werken van Turner. Het is mooi om een schilderij niet direct te kunnen plaatsen.


Het Symbolisme 

Het Symbolisme is een stroming in de beeldende kunst, muziek en literatuur die in het fin de siècle opgang maakte. Eerst in Frankrijk, maar daarna ook elders in Europa. Het is een reactie op het Realisme en het Naturalisme. Bij het Symbolisme wordt verbeeldingskracht, fantasie en intuïtie centraal gesteld. Er is sprake van een sterke hang naar het verleden en een gerichtheid op het onderbewuste en het onverklaarbare. Symbolisten zochten vooral naar ongewone dingen. Inkeer en beschouwing worden belangrijker dan het pure zintuiglijke waarnemen.
Door de nadruk op emotie en persoonlijke belevingswereld wordt het het Symbolisme als voorloper van de 20ste-eeuwse kunst.

Voorbeelden van symbolistische schilders zijn Gustave Moreau, Odilon Redon, James Ensor en Arnold Bocklin. Een goede beschrijving van het Symbolisme vindt u hier.

Gustave Moreau, studie in aquarel (ca 1890)

Joseph Mallord William Turner  1775 – 1851

Wie kent hem niet, de beroemde Engelse schilder die zijn tijd ver vooruit was. Turner wordt over het algemeen gezien als de “schilder van het licht”. Hoewel hij vooral bekend is om zijn olieverfschilderijen van zeer grote afmetingen, ziet men hem ook als een van de grondleggers van de Engelse aquarellandschapschilderkunst.

Op 14-jarige leeftijd ging hij naar de Royal Academy of Arts. Na de Academy ging Turner bij Thomas Malton, zijn ‘real master’  in de leer.  In 1790 ,één jaar na zijn studie werd zijn aquarel, The Archbishop’s Palace, Lambeth, geaccepteerd voor de zomertentoonstelling van de academie. Dat was bijzonder omdat men op de academie slechts leerde tekenen, eerst naar afgietsels van gips, later naar levend model. Schilderen leerde men onder meer door het werk van meesters in de collecties van privé verzamelaars te bestuderen.
Na zijn academietijd huurde hij met de schilder Thomas Girtin een atelier in het huis van dokter Thomas Monro. Drie jaar lang maakten zij daar kopieën van schilderijen. Kruipend in de huid van de schilders waar hij de doeken uit de collectie Monro van kopieerde (zoals bij de Prix de Rome, een belangrijke in 1663 in Frankrijk ingestelde aanmoedigingsprijs voor jonge kunstenaars) leerde hij het schildersvak. Via Monro kwam Turner in contact met Viscount Malden, die zijn maecenas werden. Turner exposeerde zijn eerste schilderij met olieverf, Fishermen at Sea, in 1796. Turner werd als schilder van het Britse landschap enorm populair bij het publiek.

In die tijd stond de kennis over duurzaamheid en kleurechtheid van pigmenten nog in de kinderschoenen. Er werd veel geëxperimenteerd met vaak inferieure pigmenten. Karmijnrode pigmenten bijvoorbeeld met een heel intense kleurkracht doofden binnen korte tijd uit tot roodbruine vlekken.

Turner vond duurzaamheid en kleurechtheid niet zo belangrijk. Het ging hem om het schilderen, aan het eindresultaat hechte hij minder. Turner was nauwelijks geïnteresseerd of zijn doeken de eeuwigheid zouden kunnen doorstaan. Ooit wees dhr. Winsor, van de bekende verffabrikant Winsor & Newton, de kunstenaar op de nadelen van een aantal pigmenten, die hij in zijn winkel had gekocht. “U weet dat ze niet duurzaam zijn,” merkte Winsor op. Maar Turner bleek niet geïnteresseerd in dit ongevraagd advies. Hij zou hem hebben verzocht ‘zich niet met zijn zaken te bemoeien.’ De manier waarop Turner werkte leek meer om het proces van het schilderen zelf te gaan dan om het eindresultaat. Hij experimenteerde graag en was geïnteresseerd in spontane effecten. Zo is het bekend dat hij zijn schilderijen regelmatig in een stoffige vochtige hoek van de kamer zette, waar de doeken waren overgeleverd aan schimmel.  John Ruskin, een bevriende kunstcriticus, zei: “Geen enkel schilderij van Turner is een maand na voltooiing nog perfect.”

Turner is vooral beroemd geworden vanwege zijn late werk, waarop de zo kenmerkende mysterieuze wolken van licht en stof te zien zijn, die de voorstelling in nevelen lijkt te hullen. De kritiek op zijn werk was dat hij liever de ruimte tussen de dingen onderzocht dan de dingen zelf.

‘Norham Castle, Sunrise’, William Turner, 1845, olieverf op doek, 91 x 122 cm, Tate Britain, Londen

 

 

 

De corona-prent

Aan het seizoen komt door het coronavirus een tijd stil te liggen.
Zo erg als in 1348 zal het niet worden. Florence wordt getroffen door een pestepidemie, die genadeloos om zich heen grijpt. Zeven jonge vrouwen en drie jongemannen besloten Florence te ontvluchten en zich terug te trekken op het Toscaanse platteland. Om de tijd te doden vertellen ze elkaar elke dag verhalen,  variërend van scabreus tot hoofs, van dramatisch tot komisch. Allemaal zijn ze een lofzang op het menselijk vernuft en op het rake woord dat levens kan redden. De tien vertellers overleefden de Zwarte Dood.
In 1353  beschrijftde Italiaanse dichter Boccaccio de vlucht van deze mensen en tekent hij de verhalen op in de Decamerone.

De Decamerone wordt tijdens deze crisis weer actueel. Acteurs uit het Nederlandse theater lezen vanaf 27 maart dagelijks één verhaal uit Boccaccio’s Decamerone. Elke dag een nieuw verhaal.  Als ode aan het leven. Dichter en acteur Ramsey Nasr leest het eerste verhaal uit de reeks voor.

Ik kan niet anders dan de lessen een tijd stil te leggen en mij terugtrekken op het atelier aan het Ledeganckplein, de sociale isolatie ten voeten uit. Vervelend voor al die cursisten die een heel cursusseizoen betaalden en dat maar gedeeltelijk konden volgen.


Verhalen vertellen is niet mijn sterkste kant, mijn taal is beeldend. Zij is abstract en bestaat uit een aantal vlakken, doorgaans in één kleur, die verbonden lijken door een scharnierend of verbindend element. Dit levert intrigerende beelden op die de kijker aanzetten tot langdurig observeren.
De etsen zijn altijd een combinatie van verschillende diepdruktechnieken met chine collé en bij gelegenheid ook hoogdruk. Het kleurgebruik is gereserveerd. Bruin, blauw, geel en rood zijn dominant maar steeds in isolement. Ik meng mijn kleuren niet en pas ze evenmin naast elkaar toe in een ets. Hoewel de verbindende vormen in mijn werk soms aan (fragmenten van) lettertekens doen denken, blijft de beeldtaal consequent abstract. In overeenstemming hiermee geef ik mijn werken dan ook geen anekdotische titels. Ze worden voorzien van een doorgaande nummering.

Naast etsen maak ik aquarellen. De aquarellen concurreren met mijn etswerk. Is de beeldtaal hier hetzelfde, de techniek van de waterverf geeft het werk een lichtheid die in het etswerk ontbreekt. In een reeks aquarellen of pigmenttekeningen, carré’s genaamd plaats ik een vierkant in het centrum van de voorstelling, dat aan de randen uit balans wordt gebracht door grafiet, waterverf of een strookje bladgoud.
Poëtischer kan een vierkant niet worden. 

Daar ligt mijn kracht, in het beeldend bezig zijn en ik besloot voor de cursisten een ets te maken, een ets in een oplage van 60 exemplaren. Zoals hierboven al omschreven, mijn werk bestaat uit een combinatie van verschillende diepdruktechnieken. Van het proces plaats ik wat foto’s.

 

Een ets begint met een metalen plaat, zink in dit geval. Die plaat wordt afgedekt met een harde waslaag (bitumen met bijenwas) waar de “tekening” in wordt gemaakt. Achterkant van de plaat wordt met spirituslak zuurbestendig gemaakt waarna de plaat in een bak salpeterzuur wordt uitgebeten. Dit in het kort. Het wordt te ingewikkeld om alle technieken hier uit te leggen, maar ik wil het, als corona in de hand is, best een keertje voor doen.

In de prent, No. 6045 werden de volgende technieken gebruikt:

  • lijnets
  • vernis-mou
  • wildbijting
  • zaging
  • hoogdruk
  • chine collé
  • bladgoud

 

De pest en het perspectief

Perspectief in een belangrijk onderdeel van het tekenen en schilderen. Maar hoe teken je een onderwerp in perspectief?
De afspraak is simpel: alle lijnen welke dezelfde richting op gaan, of zij nu onderkant of bovenkant aan het voorwerp zitten, verdwijnen in één punt op de horizon. 

Filippo Brunelleschi. Kathedraal van Florence

In oktober 1347 arriveerden Genuese schepen op Sicilië. De schepen kwamen uit De Krim en tijdens de tocht was een groot deel van de bemanning en de passagiers slachtoffer geworden van een dodelijke ziekte: de pest. Via het Middellandse Zeegebied bestormde de pest, later ook de Zwarte Dood genoemd, het Europese continent om in minder dan vijf jaar een derde tot de helft van de bevolking weg te vagen. Niemand was veilig voor deze ziekte, ongeacht maatschappelijke positie of genomen voorzorgsmaatregelen. Priesters en paupers, pachters en prinsen – de pest maakte geen onderscheid. Opvallend was dat onder de Joodse bevolking de minste doden waren te betreuren. De reden; zij kenden vanuit hun geloof strenge hygiënemaatregelen. De grote pest-epidemie duurde van 1347 – 1352. In Europa duurde het tot ongeveer het jaar 1600 voordat het bevolkingspijl van begin veertiende eeuw weer was bereikt.

Door deze epidemie veranderde financiële structuren en het denken. Het was duidelijk dat, nu ook kloosters door de pest werden getroffen, het geloof niet tegen alles beschermde. Maar wat vooral belangrijk was, is dat veel rijken werden getroffen waardoor het geld gecentraliseerd werd. Er kwamen rijke families, rijker en machtiger dan het Vaticaan. De familie De’ Medici uit Florence is de bekendste.

De macht van de familie begon met Giovanni di Bicci de’ Medici (Florence, 1360 – Florence, 20 februari 1429). Hij was een zoon van Averardo de’ Medici, en grondlegger van het fortuin van de familie. Zijn zoon, Cosimo De’ Medici bouwde de bank internationaal uit, waardoor zij hun fortuin nog verder vergrootten. De’ Medici waren de grondleggers van het huidige bankwezen en verzamelaars van kunst.

De familie ondersteunde de filosofie (het Humanisme) waar niet meer de vraag over de rol van de mens na zijn dood centraal stond (Memento Mori= Gedenk te sterven) maar de rol van de mens tijdens zijn leven. Het kapitaal gaf de familie De’ Medici de mogelijkheid kunstenaars te ondersteunen en opdrachten te geven.  Opdrachten die niet meer uit religieuze  maar uit profane motieven werden geschilderd.  Door de grote pestepidemie veranderde de wereld, de Renaissance (de Wedergeboorte) was geboren.

Met de Renaissance begint de tijd waarin de kunstenaar steeds meer op de voorgrond treedt. Zijn de persoonlijke faam wordt belangrijk. De kunstenaar is niet alleen schilder of beeldhouwer  maar hij doet ook wetenschappelijk onderzoek: wiskunde (perspectiefleer), anatomie, techniek en nog veel meer. De ‘Uomo universalis’ is geboren.


Perspectief

Het kind Jezus, schilder onbekend. Een mooi voorbeeld van een werk van voor de Renaissance waar het perspectief niet werd toegepast.

Waar op middeleeuwse schilderijen het perspectief vaak ontbrak werd perspectief een belangrijk onderwerp in de Renaissancekunst.
De kunstenaar Filippo Brunelleschi (Florence) werkte als kunstenaar, ingenieur en architect Na enkele kleinere architectonische opdrachten zou hij zich vanaf 1418 geheel aan de bouwkunst wijden. In Rome werden klassieke bouwwerken door hem opgemeten en vooral onderzocht op constructieve elementen en ruimtewerking.  Om zijn tekeningen goed op papier te krijgen ontwikkelde hij het lijnperspectief. Het werken met verdwijnpunten waar alle zichtassen samenkomen, werd door hem het eerst toegepast. Brunelleschi wordt gezien als de ontdekker van de perspectiefleer. In Nederland was het de kunstenaar/architect Hans Vredeman de Vries (1527 – 1607) die grondregels voor het tekenen van perspectief vastlegde.

De school van Athene, Raffael

Het lijnperspectief
Hieronder een uitleg over de lijnperspectief. Ik beperk mij daarbij tot het tweepuntsperspectief  (het centraal-perspectief) omdat deze vorm het meest in ons werk gebruikt wordt.

  • De basis van de perspectief leer is dat alle lijnen welke dezelfde richting op gaan, of zij nu aan de onderkant  of bovenkant aan het voorwerp zitten, in één punt op de horizon verdwijnen.
  • horizon ligt op ooghoogte.
  • Voorwerpen waar we recht tegen aankijken hebben maar één vluchtpunt.
  • Als we twee kanten van een voorwerp, b.v. een tafel, zien zijn er altijd twee vluchtpunten, een links en een rechts.
  • Kijken we recht tegen een voorwerp aan dan hebben we met één vluchtpunt te maken en ligt dit punt altijd, van uit het midden gemeten, recht boven het voorwerp.
  • Alle vluchtpunten liggen op de horizon.
  • Afhankelijk van de stand van het onderwerp kunnen vluchtpunten buiten het papier komen te liggen. Van Vermeer is bekend dat hij gebruik maakte van lange latten die achter de panelen monteerde. Op die latten gaf hij zijn vluchtpunten aan.
  • Voorwerpen waarvan we de bovenkant zien liggen in zijn totaal onder de horizon.
  • Voorwerpen waarvan de bovenkant op de horizon liggen vormen een rechte lijn op de horizon.
  • Voorwerpen waarvan we de bovenkant niet kunnen zien, b.v. een flatgebouw liggen voor een deel onder (de onderzijde) en voor een deel boven (de bovenzijde) de horizon. De horizon ligt altijd op ooghoogte.

In het begin is perspectief oefenen, oefenen en oefenen. Als je eenmaal door hebt hoe is het een handig hulpmiddel.


Wanneer je een onderwerp gaat tekenen ga je altijd uit van de voorste, staande lijn, dit is de enige lijn die niet verandert. In de onderstaande voorbeelden heten de vlucht- of verdwijnpunten V1 en V2.

Met je potlood meet je de hoek waaronder de onderste lijnen naar de horizon toelopen. Je houdt het potlood  recht , horizontaal voor je en zet het potlood in het onderste punt van de voorste opstaande, rode, lijn. Je zal dan zien dat de zijkanten van het onderwerp op papier naar boven lopen.
Je kunt nu tegelijk schatten onder welke hoek (hoe schuin) de lijnen naar de horizon lopen. Per voorwerp zal dit, afhankelijk van de plaats en hoeveel je van een zijkant ziet variëren. Zie je van één zijkant meer dan van de andere zijkant dan zal de hulplijn van de kant waar je het meest van ziet minder schuin weglopen.

De afspraak is dat alle lijnen welke gelijk aan elkaar lopen  in het zelfde vluchtpunt op de horizon verdwijnen. Het maakt dus niet uit of zo’ n lijn aan de bovenkant, de onderkant of b.v. in het midden van het onderwerp zit, als ze gelijk aan elkaar lopen gaan ze allemaal naar het zelfde vluchtpunt op de horizon.
Hoe weet je nu welke lijnen in een voorwerp dezelfde richting oplopen? Ik probeer dat hieronder uit te leggen.  Als je recht boven het onderwerp zou vliegen dan zou je bij een kubus alleen maar het bovenvlak zien.

  • A en B lopen gelijk aan elkaar, (gaan de zelfde richting op) en C en D lopen gelijk aan elkaar.
  • A en B gaan dus naar één vluchtpunt rechts.
  • C en D gaan ook naar één vluchtpunt links.
  • In perspectief heeft het voorwerp dus twee vluchtpunten, één aan de linkerkant van het papier en één aan de rechterkant.

In principe kun je nu het lijnperspectief in je tekening toepassen. Hieronder de drie opties.

  1. De bovenkant van het onderwerp lig onder de horizon.

2. De bovenkant van het onderwerp ligt precies op horizonhoogte.

 

3. De bovenkant van het onderwerp ligt boven de horizon.

Eén uitzondering
Wanneer we recht tegen een onderwerp aankijken (in dat geval zien we dus geen zijkant) heeft het onderwerp maar één vlucht- of verdwijnpunt op de horizon. Dit punt vindt je door in het midden van het onderwerp een rechte lijn naar de horizon te trekken. Waar deze elkaar snijden ligt het vluchtpunt. Zie het voorbeeld hieronder.

De cirkel
Een cirkel construeer je in een plat vlak waar je recht tegen aankijkt. Je kunt de cirkel ook construeren een een vlak waar je schuin tegen aankijkt  maar voor de uitleg beperk ik mij tot het basisprincipe. Leg een bord neer en je ziet dat het bord in een vierkant staat. Je krijgt dus dit.

Plaats ik dit vierkant in perspectief dan ziet dat vierkant er zo uit. De rode lijnen zijn de diagonalen. Die verbinden de tegenover elkaar liggende hoeken. Waar de diagonalen elkaar kruisen ligt het werkelijke midden. In perspectief is het voorste deel van een cirkel (deel B) dus groter dan het achterste deel (deel A)

 

Daarna teken je de cirkel (ellips) in het in perspectief getekende vierkant. De cirkel ziet er dan zo uit

Tekening Toon Nagtegaal

Toon Nagtegaal maakte een duidelijke instructie film. U vindt deze hier

Teken je een ronde kolom dan worden de cirkels naarmate ze dichter bij de horizon komen platter. Op de horizon is de cirkel een platte lijn. Het schema ziet er zo uit, de rode lijnen staan aan de voorzijde, de dunne zwarte achteraan.

Als oefening, probeer een lucifersdoosje eens in perspectief te tekenen.


Wie zich verder wil verdiepen doet er goed aan dit document van te TU Delft te bekijken.

Bronnen: Wikipedia, Historieknet, Kunstbus, Ton Nagtegaal, Atelier Jan Naezer

De Gulden Snede

Ineke van Dijk, haar aquarel, compositie, Gulden Snede en de Regel van Derden.

Ineke van Dijk maakte onderstaande prachtige aquarel. Het is een hele blonde, lichte aquarel. Met weinig kleur weet zij een treffend beeld op te roepen. Het wit van de is, door weinig kleurgebruik mooi wit gebleven. De magnolia’s op de achtergrond zijn wat minder nadrukkelijk  geschilderd waardoor zij een achtergrondfunctie kregen.

Naast kleur speelt compositie een belangrijke rol. Ineke maakte gebruik van de driehoekscompositie. Een opbouw  waarbij het beeld in een denkbeeldige driehoek op het papier of doek te vangen is. Deze compositie levert over het algemeen een rustig beeld op.

Een goed overzicht van verschillende composities die in een schilderij gebruikt kunnen worden vindt u op  deze pagina.
In het werk past Ineke van Dijk ook een aantal principes van de Regel van Derden toe. Het uitleggen van deze Regel van Derden en Gulden Snede is moeilijk. Ik ga het proberen.


De compositie, Gulden Snede en Regel van Derden.

Kort door de bocht kan je zeggen dat de Regel van Derden een vereenvoudigde versie van de Gulden Snede is. Als ik op het atelier over de Gulden Snede praat bedoel ik meestal de Regel van Derden.

Eerst een stukje theorie:
De Gulden Snede, ook wel de goddelijke verhouding (sectio divina) genoemd, wordt door kunstenaars, wetenschappers en filosofen gezien als de ideale verhouding. In de afgelopen duizenden jaren is de Gulden Snede talloze malen opnieuw gevonden en beschreven.  In zijn boek “Elementen” beschreef de Griekse wiskundige Euclides de Gulden Snede als volgt: ‘Een recht lijnstuk wordt verdeeld in een uiterste en een middelste reden indien het gehele lijnstuk tot het grotere deel staat zoals het grotere deel tot het kleinere.’  Anders gezegd: De Gulden Snede is de verdeling van een lijnstuk in twee delen in een speciale verhouding, waarbij het grootste van de twee delen zich tot het kleinste verhoudt, zoals het gehele lijnstuk zich verhoudt tot de grootste. Zo, wellicht eerst een kop koffie, hierna wordt het makkelijker

In de wiskunde is De Gulden Snede een verhouding die wordt aangegeven met de Griekse letter phi: φ. Als je de verhouding uittekent in een rechthoek (zie afbeelding hieronder ) dan is de verhouding tussen AB en BC hetzelfde als de verhouding tussen BC en AC. In getallen staat φ gelijk aan (1+√5)/2 en is dus ongeveer 1.61803. De Gulden Snede is dus 1:1.61803.  In de praktijk van het atelier zou dat dus een paneel van 10 cm bij 16,2 cm worden of een afgeleide daarvan.

Ga je verder tekenen met deze verhoudingen dan krijg je het volgende beeld:

Het hele vlak kent de verhouding 1 : 1,618, de onderverdeling, groene vlak is: 1:1 en in het roze en blauwe vlak zie je de weer verhouding 1 ; 1,618 terugkomen. In de Mona Lisa is  de Gulden Snede volledig doorgerekend.

De vraag is of wij als schilders hier iets aan hebben.  Ja en nee. De rekenaars onder ons kunnen nu de Gulden Snede gaan berekenen (in mijn eigen, abstracte werk doe ik dit soms ), voor de niet rekenaars onder ons wordt opeens duidelijk waarom de schilders uit de Renaissance niet op die doeken in standaard formaten werkten. Dat had dus te maken met die Gulden Snede. Die is op de standaard formaat doeken niet uit te rekenen.  Op ateliers werd dus gerekend, de Gulden Snede ( in alle varianten) was op basis van de compositie.  Een mooie uitleg met voorbeelden vindt u hier.

Na de Renaissance werd de Gulden Snede minder populair. Emotie, beweging en dynamiek werden belangrijker dan evenwicht. Sterker zelfs, bij emotie kan  het toepassen van de Gulden Snede hinderlijk zijn.

Wie wel evenwicht in wijn werk wil hebben kan zijn toevlucht nemen tot de Regel van Derden. Tijdens mijn lessen noem ik dit altijd Gulden Snede, dat klopt dus niet. De  eenvoudigste manier is om je vlak opdelen in 9 gelijke vlakken.  Daarbinnen zet je de compositie neer. Op mijn PC paste ik de Regel van Derden toe op het werk van Ineke. Dan valt op dat de lampetkan precies in een lijn die op 1/3e van de zijkant staat staat. Dat zie je ook gebeuren in het glas. De middellijn van de ovaal staat op zo’n “derdelijn”. Dit soort relatief eenvoudige hulpmiddelen zorgen voor evenwicht in je werk.

 

 

Penselen repareren

Hoe repareer je een penseel? Je kent het wel, die ene penseel waar je zo lekker mee werkt gaat kapot. De bus (waar het haar in zit) laat los van de steel. Doodzonde. Lijm er in, goed aanduwen, maar helaas.

Eén manier om een penseel te repareren is om de penseel weer in elkaar te zetten en een nacht in het water leggen. Het hout van de steel neemt vocht op, zwelt op en je penseel lijkt weer als vanouds. Tot het warm wordt het hout weer krimpt en de bus wee los laat.

Een effectieve manier om je penseel te repareren is een krimpkous. Een krimpkous is een dunne, flexibele slang van polymeer plastic die de eigenschap heeft dat deze bij verhitting  in diameter krimpt. Die koop je bij een doe het zelf zaak in een zakje met allemaal verschillende formaten.

Je neemt de kous met de goede diameter, knipt hem op lengte en je stopt de bus en steel in de kous. Daarna maar je het haar nat en zet je een warme föhn op de krimpkous. Deze krimpt en je penseel zit weer als gegoten.

Losse bus en losse steel
Losse bus en losse steel

 

 

 

Een stukje krimpkous welk je op maat knipt

 

De bus schuif je in de krimpkous en daarna de steel. Haar nat maken om te beschermen tegen de warme föhn.

 

Föhn aan zetten, door de warmte krimpt de kous en is je penseel weer als vanouds.

Over doodverven en linialen.

Doodverf

Titiaan, Maria met Jezus. Deels in een 2e laag doodverf

Doodverf is een oud begrip in de schilderkunst. Het doodverven wordt nauwelijks meer toegepast. Over het begrip bestaan verschillende lezingen.  De boeken van Doerner, Schilderkunst (De ‘Doerner’ zoals dit klassieke handboek meestal wordt genoemd, is onder vakmensen al heel lang een begrip: zo zeer zelfs dat het als bijnaam ‘de bijbel van de kunstschilder’ kreeg) en Cennini, het handboek van de kunstenaar (dit boek wordt binnen de kunst- en restauratiewereld beschouwd als het standaardwerk op het gebied van de schildertechnieken. Praktisch alle studies die de schilderkunst en -techniek tot onderwerp hebben verwijzen naar Il Libro dell’ Arte als het oerboek.) geven geen uitsluitsel over het begrip doodverven.

Een eerste lezing is dat de ondertekening, een penseel- of krijttekening, werd gedoodverfd in schakeringen van grijsbruin en wit. Het aanbrengen van de laatste verflagen in kleur werd ‘opschilderen’ genoemd. Het bijwerken, de afsluitende fase, werd ‘nazien’ genoemd. Het doodverven beperkt zich bij deze lezing tot het maken van een grauwe onderschildering.

In het Schilder-boeck ,1604  (PDF De Nederlandse Bibliotheek, zoekterm dootverwen) van Carel van Mander staat onder andere de volgende tekst“Sprangher, die noyt hadde Historie geschildert, noch ghecopieert, vondt hem seer verleghen, hem ghelatende, niet te verstaen, gelijck hy oock de Fransche spraeck qualijck verstont, waerom den Meester een kist ontsloot, en langhder uyt dry Printen, segghene: maeckt een van dese Historien, doch uyt uwen gheest, en gaende uyt den winckel liet hem daer alleen. Sprangher schromende sach rontom, en siende eenighe Penneelen van den Meester gheschildert die seer slecht waren, begon moedt grijpen, makende een ordinantie op blaeu papier met kole en crijt, nae zijn ghewente, wesende een verrijsnis Christi, met den Graf-wachters daer by, begon te dootverwen: en also de daghen langh waren, liep niet lang aen, oft ten was opghedaen, tot groot beweghen van den Meester, welcken (als gheseyt is) was swack in de Const.”

Na het aanbrengen van de tekening met houtskool en krijt ging men pas over tot het doodverven. In de studie “Over kwaliteitsvoorschriften in het St. Lucasgilde; over ‘doodverf’” van Hessel Miedema vind ik dit weer terug. Het is dus duidelijk dat aan het het doodverven een stadium vooraf ging . Het doodverven is dus meer dan de grauwe onderschildering uit de eerste lezing.

Met ‘doodverven’ wordt dan ook bedoeld het bedekken van een onderschildering met een transparante laag witte verf. De grond- of onderschildering werd meestal in bruine verf (gebrande sienna) geschilderd. Deze wordt vervolgens ‘doodgeschilderd’ met wit, waar de grondschildering nog doorheen schemert. Daaroverheen worden in verschillende kleuren diverse transparante laagjes olieverf aangebracht. Het resultaat is een schilderij dat veel diepte en transparantie suggereert. na de doodverf werd het schilderij “opgeschilderd”

Carel van Mander geeft aan dat de doodverf in de zon moest drogen. Doodverf was dus olieverf, vaak over een onderschildering van tempera heen. Lukte een partij niet goed dan adviseerde van Mander een nieuwe laag doodverf aan te brengen.

Geraadpleegde literatuur:
Saskia Golda Willner: Rederijkersdromen en schildersdaden. De Italiaanse Levens in het Schilderboeck (1604) Karel van Mander (Dissertatie 2016)
Hessel Miedema: Over kwaliteitsvoorschriften in het St. Lucasgilde; over ‘doodverf’
Carel van Mander: Het Schilderboeck
Cennino Cennini: Het handboek van de kunstenaar ( Il Libro dell’ Arte )
Max Doerner: Schilderkunst, materiaal en techniek.


De liniaal
Merkwaardig om iets over te schrijven over een zo alledaags onderwerp als een liniaal, een latje met cijfers erop en dan kan je meten hoe groot iets is. Desondanks een klein artikel over de liniaal.
Wie de liniaal heeft uitgevonden is niet te zeggen.
De oudste liniaal werd ontdekt in de Indus-vallei in Lothal (momenteel in de staat Gujarat, een deelstaat in het westen van India) en zou dateren van 1500 voor JC.
De beschaving van de Indus-vallei ontwierp de liniaal omwille van geometrische redenen, om de grootte van mensen en gebouwen te meten. De liniaal was gemaakt van ivoor.

Onze linialen zijn van plastic of van metaal.
De plastic liniaal heeft aan de zijkant waar geen cijfers staan een opstaande rand, de zg inktrand. Dat randje is gemaakt om, wanneer je met een pen langs de liniaal een lijn trekt, de inkt niet onder de liniaal vloeit.

Langs een liniaal schilderen is eigenlijk onmogelijk, penselen zijn daar niet strak genoeg voor. Een schilderij afplakken om rechte lijnen te krijgen lukt alleen als je op een vlak paneel werkt. Het risico dat de verf op een doek uitloopt is groot.

Metalen liniaal
Bij de metalen liniaal zit aan de achterzijde een stalen gedeelte. Die zijde is gemaakt om langs de liniaal te kunnen snijden.  Snij je langs de voorzijde dan snij je regelmatig in het aluminium van de liniaal. Altijd langs de achterzijde snijden dus, die is daarvoor.