De rubriek Techniek bevat, naast beschrijvingen over tentoonstellingen en wat kunstgeschiedenis, een beknopte databank vol technische informatie en recepten over onder andere:
verf maken
spitituslak maken
vernissen
gronderingen
vergulden met bladgoud
transparante en niet transparante kleuren
schilderen met olieverf
aquarelleren
etsen
lithografie.
U kunt de zoekfunktie rechtsboven gebruiken om een onderwerp te zoeken. Mist u iets, of klopt er iets niet, dan stel ik het op prijs als u het mij laat weten.
De etsplaat roeten. Heel klassiek maar goed om te doen; je etsplaat roeten. Met een kaars beroet je de beeldzijde van de plaat. Daar zit de harde etsgrond op, een dunne laag bitumen met bijenwas. Door de warmte van de kaars, trekt de waslaag iets open en zet het roet zich in de etsgrond vast. Is de plaat afgekoeld dan zie je precies waar de etsgrond de plaat niet goed heeft afgedekt. Je kunt die stukjes dan “repareren”.
Artools verkoopt nog roetkaarsen.
Je plaatste de roetkaars in een afgesloten pot. Neem dan een deksel die over die pot heen valt, geen deksel met een schroefdop. Maak een gat in de deksel en zet de kaars er recht in. Verstevig deze met een stokje, bij warm weer blijft de kaars recht staan.
Mijn oude pot met roetkaars
Om te roeten moet je de plaat in een houder aan het plafond hangen. Die houder is makkelijk te maken. Neem een stevig stalen plaatje, boor er vier gaten in en doe daar kettingen door. Aan de ene zijde van de kettingen zet je vier ringen van sleutelhangers, aan de andere kant zet je de vier kettingen aan één sleutelring vast. Daar kan je straks de houder aan ophangen. Je plaatst een schroefoog in het plafond, een kikker op de muur om alles vast te zetten en vervolgens neem je een koord met een haakje. Voor grote platen neem je een wat groter stuk metaal, voor kleine platen een kleine plaat. Het is heel simpel.
De etsplaat komt aan de hoeken in de ringen hangen, omhoog strekken en roeten. Daarna laten afkoelen .
Roetkaarsen worden schaars. Hoe je zelf een roetkaars maakt heb ik het nog niet geprobeerd. Ik vermoed dat het volgende goed zal werken:
zachte paraffine, ongeveer 50–54 °C; het moet een beetje vettig zijn om te kunnen roeten.
dunne katoenen lont;
daarvan 15 dunne staafjes maken, ongeveer 2–3 mm dik en 25 cm lang;
de 15 staafjes vervolgens strak in elkaar draaien, zoals op de laatste foto,
De lont zit dan dus in elk staafje, net als bij de oorspronkelijke constructie.
Losse staafjes.De losse staafjes in elkaar gedraaid,
Hoe je zo’n kaars kunt maken en waar je de materialen koopt lees je hier.
In principe is Chine collé niet veel meer dan, tussen het etspapier en etsplaat, een dun stukje gekleurd papier leggen en dat meelijmen in de drukgang. Dat is de klassieke methode. Om te lijmen wordt dan een rijstlijm of een stijfsel gebruikt. Ik doe het anders en wil de techniek stap voor stap uitleggen.
Anders dan in de klassieke methode, lijm ik het Chine collé niet mee tijdens het drukken, maar ik druk alleen het Chine collé af en monteer (plak) dat later op een etspapier. Voor mij heeft dat twee voordelen:
Een vel papier voor Chine collé is goedkoop. Bij een misdruk hoef ik dus geen duur etspapier weg te gooien.
Pas na verkoop van een ets plak ik een nieuw chine collé op. Ik bewaar de Chine collé in enveloppen.
De nadelen zijn:
Je hebt geen moet aan de achterzijde.
Niet elk papier is geschikt. Reden: het Chine collé-papier heeft een andere spanning dan het etspapier.
Gebruik niet te dun etspapier. Zelf gebruik ik nu nog Zerkall Butten 350 grams, Helaas bestaat die fabriek niet meer. Als mijn voorraad op is, stap ik over op naar dit Hahnemüle papier. Voor het Chine collé gebruik ik het Hahnemüle Ingres papier. Dat Ingres papier heeft een jaar lang, voor de helft afgedekt, voor mijn atelieraam gehangen. Het is kleurecht.
Op te lijmen gebruik ik behangerslijm; Perfax behangplaksel voor normaal tot zwaar behang. Dat koop je bij de Gamma of Praxis
Het dunne Chine collé papier opleggen is een handigheid. Leg wel een vel courantdruk tussen je Chine collé en vilt als je gaat drukken. Ik druk met één lap vilt van 2 mm. Dat geeft, voor dit dunne papier, voldoende druk.
Hoe u te werk gaat leg ik stap voor stap uit. Voor de uitleg zijn foto’s van verschillende prenten gebruikt.
1. De etsplaat met beeldzijde naar boven op het dunne papier leggen en het Chine collé langs de plaat op maat scheuren. Ik zet altijd een kruisje op de achterkant.
2. Voor je de etsplaat gaat ininkten leg je het Chine collé, net als etspapier, in een bak water. Water afnemen tussen een handdoek.
3. Leg de ingeïnkte plaat op de pers en leg daar het vochtige Chine collé op.
4. Drukken.
5. Laten drogen. Ik hang ze aan een waslijn te drogen.
6. Als je het Chine collé op etspapier wilt wilt aanbrengen span je een etspapier op. Net als je dat met aquarelpapier doet.
7. Het opgespannen papier een dag laten drogen. Is het papier nog vochtig dan komt het Chine collé los!
8. Het Chine collé inlijmen met behangerslijm. Ik doe dat twee keer. Ik leg het Chine collé met de bedrukte zijde op een perspex plaat. Als het papier gaat schuiven, komt lijm op de voorkant. Maak je geen zorgen, dat maak je schoon.
9. Het Chine collé op het etspapier leggen, courantdruk er overheen en aandrukken of met een rollertje vast drukken. Zorg, net als bij behang, dat er niet al te veel lijm onder het Chine Collé zit.
10. Overtollige lijmresten weghalen. Liefst met een vochtig doekje op papier. Warm water zorgt ervoor dat je je etspapier niet snel kapot wrijft. Voorzichtig dus.
11. Ten minste één dag goed laten drogen.
12. Als de prent droog is, dan snij je hem los van het schot. Om de oplage op een zelfde formaat papier te leggen leg ik er een perspex mal op en scheur ik de randen eraf. Je krijgt dan je “schepranden” weer terug.
Van de drie klassieke druktechnieken, de hoogdruk, diepdruk en vlakdruk, is de hoogdruk de oudste.
China
De geschiedenis van de techniek begint in China rond de 4e eeuw na Chr. waar afbeeldingen in steen of hout werden gebeiteld. Deze afbeeldingen werden als stempels op stof of papier afgedrukt. Waar in Europa nog op perkament werd gewerkt, kenden China het papier al. De hoogdruk was ideaal om teksten te verspreiden. Het drukken van een tekst kost immers aanzienlijk minder tijd dan het kalligraferen van een tekst in een oplage.
Zo ontstond rond 700 in China de alleroudste versie van de boekdrukkunst. Een vel papier werd beschreven met inkt die vervolgens tegen een houtblok werd aangedrukt. De tekst stond nu op het blok. De delen die wit moesten blijven worden uitgesneden en verhoogde oppervlakken van het houtblok worden ingeïnkt om te drukken. Daarmee is gelijk de term hoogdruk verklaard. Alles wat weggesneden wordt niet beïnkt , alles wat hoog lag wordt wel beïnkt en afgedrukt.
Op deze film ziet u de traditionele manier van symbolen bakken, uitsnijden en drukken.
Europa Waarschijnlijk is de Chinese hoogdrukkunst via de zijderoutes in Europa terechtgekomen. Rond 1400 begint de houtsnede zich in Europa te ontwikkelen. Er werd in eerste instantie geen kunst mee gemaakt. De techniek werd eerst gebruikt om teksten en illustraties te vermenigvuldigen.
Ingelheim Aula (Ingelheim am Rhein) Houtgravure Sebastiaan Munster 1544 op gerestaureerd papier. De prent toont het paleis van Karel de Grote. Collectie Jan Naezer.
Uit de houtsnede ontwikkelde zich, net als in China, in Europa de boekdrukkunst in. Er bestonden nog een losse letters of afbeeldingen, alles werd in één keer uit één blok hout gesneden. Johannes Gutenberg (Mainz), ontwikkelde rond 1450 losse loden letters. De boekdrukkunst in Europa was geboren. In België In 1555 stichtte Christoffel Plantin een van de eerste grote drukkerijen in Antwerpen, het tegenwoordige Museum Plantin-Moretus. In de Lage landen bloeide Deventer in de middeleeuwen op als Hanzestad én als centrum van religie en onderwijs. Het was in de 15e eeuw een van de eerste steden in de waar de boekdrukkunst wortel schoot. Door de aanwezigheid van de Latijnse school en de Moderne Devotie, bloeide de vraag naar kennis en geschriften. De drukpers vond vruchtbare grond.
Aan het einde van de 15e en begin 16e eeuw bereikte de houtsnede een absoluut hoogtepunt met het werk van de Duitse kunstenaar Albrecht Dürer (1471-1528).
Soorten hoogdruk
De houtsnede: met gutsen en messen worden delen van een plaat hout weggesneden. De vlakken en lijnen die overblijven worden ingeïnkt en afgedrukt. Zo wordt een serie prenten, houtsneden, gemaakt. De houtnerven en de weerbarstigheid van het materiaal geven het resultaat een heel eigen karakter.
De houtgravure: deze wordt gesneden in kops hout met fijnere gereedschappen en afgedrukt op de zelfde manier als de houtsnede.
De linoleumsneden:in plaats van een plaat hout wordt de afbeeldinging een plaat linoleum gesneden.
“Zalig en voorspoedig 1952” Op kops perenhoud gesneden houdgravure. Maker onbekend. Collectie Jan Naezer.
Technieken Voor een prent in zwart wit heb je maar één blok nodig. Met speciale gutsen wordt alles wat wat niet gedrukt wordt weggesneden. Vervolgens worden de overgebleven delen met inkt ingerold en wordt de afbeelding op papier afgedrukt. Dat kan met een pers, een lepel of met een baren
Baren, foto Popymetaal
Een prent met meerdere kleuren wordt of met de klassieke methode of met de reductiemethode gemaakt. Bij de klassieke methode wordt voor elke kleur een blok gemaakt welke, in verschillende drukgangen, over elkaar heen worden gedrukt. Bij de reductiemethode wordt uitgegaan van één plaat waar steeds stukken uit worden weggesneden. Een prent, gemaakt via de reductiemethode, is voor een kunstenaar spannender dan het werken met meerdere blokken. Fout is fout, het weggesneden deel is niet meer te plakken.
Een indrukwekkende database waar u de samenstelling van de kleuren die u gebruikt kunt terugvinden. Op de tubes die u gebruikt, staan de kleurcodes. In de database kunt u precies vinden met welke pigmenten de kleur is samengesteld.
Eind maart hoop ik, met het Amateurspalet Rijswijk, een lezing en excursie over en naar de tentoonstelling “Nieuw Parijs: van Monet tot Morisot ” in het Kunstmuseum Den Haag te organiseren.
In 1867 schilderde Claude Monet het uitzicht over Parijs vanaf het balkon van het Louvre. Het werden drie schilderijen die centraal staan in deze tentoonstelling. Meer over deze tentoonstelling leest u hier.
Claude Monet, Quay du Louvre, 1867. Olieverf op doek
Het Impressionisme
De geschiedenis begint in Barbizon, een Frans dorpje bij de bossen van Fontainebleau, waar tussen 1830 en 1850 een groot aantal schilders buiten naar de natuur schilderden. Ze waren allen het stedelijke academisme ontvlucht. Ze wilden, vaak hartstochtelijk en ongebonden, als “plein-air-schilders” het directe contact met de vrije natuur beleven, Het werden de “poëten met de borstel”.
De uitvinding van de tube in 1836 gaf de schilders de gelegenheid om buiten te werken. Al in 1838 waren er drie Engelse firma’s die verf in tubes op de markt brachten. Vóór die tijd werd de verf in dierlijke blazen meegenomen, maar die lieten zuurstof door en de verf hardde te snel uit.
De schilders van Barbizon lieten zich o.a. leiden door de 17de eeuwse Hollandse landschapschilders. Niet alleen Franse kunstenaars zochten Barbizon op, ook vreemden maakten er school. De schilder Willem Roelofs was een van hen. Zijn Barbizon geestdrift werkte aanstekelijk op de latere Haagse School.
Het impressionisme is de meest in het oog springende vernieuwingsbeweging in de moderne beeldende kunst. Niet alleen als revolterende beweging, tegenover het toen algemeen aanvaarde en officieel erkende academisch Classisime, maar ook als totaal nieuw stijltechnische concept. De beweging kreeg haar naam in 1874, door een toevallig krantenartikel. In 1863 zorgden de doeken “Olympia” en het beroemde schilderij “Le Déjeuner sur l’herbe” van Manet voor een schandaal toen hij de inleverde voor de Salon. Het schilderij toont het Bois de Boulogne , destijds de meest bekende prostitutieplek van Parijs.
Het schilderij “Le Déjeuner sur l’herbe” is afgeleid van een oude gravure van Raimondi naar een tekening van Rafaël.
Le dejeuner sur l’herbre, Manet1863 Olieverf op doek
Het Parisoordeel, Raimondi ca1520, Gravure
Van de 5000 ingezonden werken werden er in 1863 3000 afgewezen. Napoleon III organiseerde toen de Salon des Refusés (“Salon van de geweigerden”). Dat deed hij niet om de afgewezen kunstenaars tegemoet te komen, maar om te laten zien hoe belachelijk de moderne kunst was, en de jury van de officiële salon te rehabiliteren. Het doek “Le Déjeuner sur l’herbe” werd ook op deze salon geweigerd.
Op 15 april 1874, precies een maand voor de officiële Parijse salon, de salon waarop gevestigde kunstenaars jaarlijks hun werk toonden, openden 31 jonge Franse schilders een tentoonstelling met 165 werken op het atelier van de fotograaf Nadar in Parijs. Toen nog onbekende kunstenaars als Monet en Cézanne hoorden tot de exposanten. Wat de kunstenaars deden het was volgens de toen heersende normen absoluut ontoelaatbaar. Zij creëerden een volstrekte anarchie, die er in contacten met publiek niet altijd even zachtzinnig aan toe ging.
De expositie wekte een schandaal, zowel omwille van de onverwacht banale onderwerpkeuzes, naakten die de beschouwer aankeken, als omwille van de volstrekt onaanvaardbare stijltechnieken. De journalist Louis Leroy wilde het ophefmakende doek van Claude Monet “Impression du soleil levant” ridiculiseren en hij schreef over de exposanten “Het is niets, het is slechts een impressie”. Onder de geuzennaam Impressionisten gingen deze kunstenaars verder en verdrongen de gevestigde orde voor een nieuwe, zich nog te vormen, gevestigde orde.
Impression, soleil levant, Claude Monet 1872. Olieverf op doek.
De impressionisten worden gezien als de bevrijders van de kleur. Kleuren als zwart en grijs gingen in de ban. Om toch tot grijzen te komen werden kraplak, pruissisch blauw en gebrande sienna gemengd. Een koele zwarte kreeg meer blauw, een warme meer rood.
Het impressionisme zelf heeft maar kort bestaan. Vanuit verschillende hoeken (ook door kunstenaars die zich eerst onder het impressionisme schaarden) trad er een reactie op tegen de resultaten van het Impressionisme. In de kunstgeschiedenis heet deze stroming het postimpressionisme. Onder het grote publiek is zij echter als impressionisme bekend.
De late Impressionistische schilderijen, in het bijzonder het werk van Monet waren wat onderwerp betreft nauwelijks nog herkenbaar. De schilderijen van de kathedraal van Rouen of van waterlelies zijn soms bijna abstracte kleurverdelingen geworden. Sommige schilders hebben getracht door de schilderijen weer een systematische aanpak te geven of ze ‘steviger’ te maken iets ‘monumentaals’ te geven aan deze wel heel ‘sferische’ manier van werken. Seurat (Pointillisme) en Cézanne zouden op dit gebied belangrijke stappen zetten. Met zijn aanpak werd Cézanne de voorloper van het Kubisme.
Andere schilders bekritiseerden de koele analytische houding ten aanzien van het onderwerp. Als reactie daarop kwam er een schilderkunst met meer aandacht voor sfeer en het scheppen van een bijzondere atmosfeer: Het Symbolisme. Twee schilders zijn daarbij van groot belang geweest: Van Gogh en Gauguin. Hun aanpak met kleur, de afkeer van Gauguin van het overgecultiveerde en het emotionele handschrift van Van Gogh vormden de basis voor de verschillende expressionistische stromingen in de kunst van de eenentwintigste eeuw.
Het belangrijkste is dat deze kunstenaars afstapten van de eis om iets correct of natuurgetrouw af te beelden; het schilderij als kunstwerk was voor de schilder belangrijker dan het onderwerp. Het betekende dat, toen eenmaal deze beslissing was genomen, vanaf nu een weg open lag naar een non-figuratieve kunst. De Postimpressionisten en dan in het bijzonder Van Gogh, Gauguin en Cézanne zijn daarmee de grondleggers van wat men wel ‘de moderne kunst’ noemt. Naast deze drie schilders zijn er diverse kunstenaars die aan het eind van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw een soortgelijke belangrijke stap hebben gezet. Om een paar te noemen: Munch in Noorwegen en Ensor in België.
Daarnaast werd in de periode van het Symbolisme, de schilderkunst uit de jaren negentig van de negentiende eeuw op allerlei manier geëxperimenteerd met nieuwe vormentalen.
Berthe Morisot met een boeket viooltjes, 1872, Édouard Manet, olieverf op doek. Musée ,d’Orsay, Parijs