Martha Stuiveling

Martha Stuiveling, Kurkeiken op Kreta. Olieverf op oliepapier.

Welk schilders medium gebruik ik? Het antwoord lees je bij het artikel over het schilderij “Kurkeiken op Kreta” van Martha Stuiveling. Het schilderij is geschilderd op een olieverfpapier van Arches. Een papier zonder die lelijke coating, duur maar prachtig. Je koopt het bij Gersteacker. Het is een 300 grams, natuurwit, grain fin (fijngekorreld) papier van 100% katoen, zuurvrij en sterk absorberend. Schitterend om op te weken. Het papier is verouderingsbestendig.

Niet alleen het papier maar ook de schildering is mooi. Je ziet de kurkeiken op een schrale ondergrond in de verte verdwijnen en voelt de warmte van Kreta van het doek afkomen. Een mooi kleurgebruik zoals je dat van een schilder mag verwachten. Schaduwen in violetten in plaats van grijzen. Het doek is een feest van kleuren die heel mooi op elkaar zijn afgestemd.

Door partijen op de achtergrond  minder concreet te schilderen ontstaat diepte. Het is een mooi gebruik van het atmosferisch perspectief.

Een schilderij valt of staat bij haar ondergrond. Naast paneel en papier bestaan er twee soorten doeken waar je op kunt schilderen. het universele doek, geschikt voor acryl en olieverf en het oliehoudende doek waar je alleen met olieverf op kunt schilderen.

Schilder je met olieverf dan geef ik de voorkeur aan een oliehoudend doek. Waarom?  De olie uit je verf trekt in de ondergrond. Daarmee verliest het doek zijn glans. Bij het vernissen krijg je die glans weer terug maar mooier is om voor een paar euro meer een oliehoudend doek te kopen. In de ondergrond zit al olie waardoor je minder verlies van glans krijgt. Het olieverfpapier welk Martha gebruikte is een fantastische vervanger van een oliehoudend doek. Er is nauwelijks tot geen verlies van kleurintensiteit, de achterkant van het papier vertoont geen “doorslag” van de olie. Oliehoudende doeken zijn schaars. Wie ze zelf wil preparen kijkt bij de recepten of gaat als volgt te werk:

“Op het schildersdoek voor olieverf wordt een preparaat van zinkwit met lijnzaadolie gebonden. Daarna hangt het doek drie dagen in de droogkamer. Vervolgens wordt het doek geschuurd. Dan volgt een laatste coating van titaanwit. Daarna gaat het doek voor nog eens 10 dagen naar de droogkamer.” Bron: Claessens Schilderslinnen

Kies je voor een universeel doek dan zal je tussentijds met retoucheervernis moeten vernissen. Alleen dan kan je echt bepalen hoe je kleuren naast elkaar zet. Tussendoor met retoucheervernis vernissen bespaart teleurstellingen van grote kleurverschillen (door het inschieten van de olie in de ondergrond) wanneer je een slotvernis aanbrengt. Slotvernis breng je pas na een jaar aan.

Retoucheervernis wordt (alleen bij olieverf) gebruikt om partijen waarvan de kleuren zijn “ingeschoten” weer helder te maken. Over deze vernis kan gewoon worden geschilderd. De vernis wordt met een spuitbus of in een dunne laag met een niet pluizende doek of een spalter (platte varkensharen kwast) aangebracht. In de praktijk betekent dit dat het niet onverstandig is om na een week even een laagje retoucheervernis over het schilderij te zetten. Je weet dan hoe de kleuren zich ten opzichte van elkaar verhouden. Bij het slotvernis komen alle kleuren terug zoals zij zijn geschilderd.

Wie zelf wil experimenteren met het maken van ondergronden vindt op deze website verschillende recepten .


Vet over mager
Schilderen met olieverf vergt ervaring en kennis van de verf en de technieken. Waar acryl zonder noemenswaardige probleem op een doek kan worden gezet, gelden voor olieverf regels voor droogtijden en het beroemde begrip “vet over mager”.

Wat is “vet over mager” en waarom is dat zo belangrijk?
Vet over mager voorkomt dat onderliggende partijen trager droger dan de daarover aangebrachte lagen. Zo voorkom je breuken in de onderlaag. De eerste laag dient schraal (mager) te worden aangebracht. Hiervoor wordt de verf verdund met terpentijn, liever geen terpentine. Tijdens het drogen van deze laag zal er geen gesloten verffilm ontstaan, maar een film die poreus is. Olie uit een volgende laag zal door de onderliggende schrale laag worden opgezogen en zich zo tijdens het drogen vastzetten in de talloze poriën. Hierdoor ontstaat er een goede hechting tussen deze twee lagen. Omdat een onderliggende (schrale) laag olie onttrekt aan een bovenliggende laag, moet er tijdens het schilderen voor worden gezorgd dat een bovenliggende laag relatief meer olie bevat. Op deze manier kan worden voorkomen dat de bovenliggende laag uiteindelijk te weinig olie zou gaan bevatten. Als een verflaag te weinig olie bevat zal dit leiden tot kwaliteitsproblemen. Vet over mager houdt eigenlijk niet veel meer in dan dat je begint met schrale verf te schilderen en er daarna met een steeds vetter medium over heen gaat. In de eerste plaats zorgt deze manier van schilderen voor een goed hechting tussen de lagen maar het zorgt er ook voor dat de onderste schrale laag een snellere droging heeft dan de laag die er overheen geschilderd wordt. Zouden de bovenste lagen sneller drogen dan barst de verf.
Voor de eerste laag gebruikt men terpentijn. Voor de volgende lagen is een ander medium nodig.

Olieverf-medium, wat is het en wat kan je ermee?

Om te beginnen wil ik olieverf en medium definiëren.

  • Olieverf
    Sinds de zeventiende eeuw is het schilderen met olieverf de meest gebruikte techniek. In tegenstelling tot de andere schildertechnieken is het niet mogelijk eenduidige recepten te geven. De basis is het aanwrijven van pigment met een drogende olie, meestal lijnolie. Men verkrijgt dan een olieverfpasta waarmee nog niet altijd te schilderen valt. Men dient dan een schildermedium te gebruiken. (Omschrijving Verfmolen de Kat)
  • Medium
    Een medium is een niet-gepigmenteerde verfstof, die dienen om olieverfpasta geschikt te maken voor het schilderen.

Olieverf mediums worden vaak gebruikt om de droogtijd, consistentie en afwerking van de verf aan te passen. Je kan bijvoorbeeld bepaalde glansgraad creëren en de droogtijd van je olieverf verruimen of inkorten, afhankelijk van welke medium je gebruikt. Je kan het medium direct mengen met de olieverf op je palet, of je penseel in het medium dippen zoals je doet met water. We hebben veel verschillende soorten olieverf mediums. Sommige hebben meerdere eigenschappen tegelijk. Dit kan wenselijk zijn maar soms ook niet. Bedenk vooraf goed welke wensen en eisen jij hebt en welke eigenschappen je wil geven aan jouw olieverf.

In principe is een universeel medium zelf te maken door 3 delen terpentijn met 1 deel koud geperste of gebleekte lijnolie te mengen. Wil je een vetter medium dan voeg je of of iets meer lijnolie toe of nog beter je maakt dezelfde samenstelling maar dan met geraffineerde lijnolie of een vettere olie als papaverolie. Spijkolie daarentegen is een olie die de droogtijd verkort.  In een sneldrogend medium zit dus Spijkolie, in een traagdrogend medium standolie of papaverolie.

De handel kent de volgende mediums, vloeistoffen en oliën:

  • Medium om de droogtijd in te korten: handig wanneer snel een natte laag over droge lagen wordt aangebracht.
  • Medium om de droogtijd te verruimen: handig wanneer extra lang nat in nat wordt geschilderd.  Ze worden ook gebruikt bij kleuren die sneller drogen dan andere kleuren. Voor droogtijden zie onderaan het artikel.
    Een goede optie is bijvoorbeeld lijnolie. Dit is een van de meest populaire olieverf mediums. Dit medium verruimt de droogtijd van de olieverf. Bij het schilderen van meerdere lagen kan dit erg handig zijn. Zorg met olieverf dat je eerst de sneldrogende lagen schildert, voor elke laag er overheen gebruik je een medium zodat die laag trager droogt.  Lijnolie verhoogt de glans en transparantie en maakt de consistentie van de olieverf gladder. Waar lijnolie vroeger vergeelde is het nu zo bewerkt dat er van vergeling nauwelijks meer sprake is.
  • Medium die de olieverf vloeibaarder maken:  Wordt vaak gebruikt om details te schilderen. Hiervoor kan  terpentijn of lijnolie of combinatie worden gebruiken.
  • Medium die de olieverf transparanter maken: Dit medium wordt vaak gebruikt bij het schilderen van glazen voorwerpen en voor glaceren. Hiervoor kan  bijvoorbeeld glaceermedium worden gebruikt.
  • Terpentine:  een kleurloze stof die een typische geur heeft. Net als benzine is terpentine een aardoliedistillaat. Vaak wordt terpentine gebruikt als verdunner of oplosmiddel van verf, vernis en lak. Terpentine is ongeschikt als medium.
  • Terpentijn: bevordert, als medium in olieverf, de droging van de verf. Het is een vetter en beter medium dan terpentine. Bij het werken met terpentijn moet voor een goede ventilatie worden gezorgd. Op het atelier staat een meter waar u kunt aflezen of er voldoende wordt geventileerd.
  • Gebleekte Lijnolie: verhoogt de vloei en vervaagt de penseelstreek. Het verhoogt de glans en verlengt de droogtijd van de verffilm. Geeft mindere vergeling dan gezuiverde lijnolie. Voorzichtig: Bij overmatig gebruik verhoogt het de kans op rimpelen van de verffilm). Niet gebruiken in de onderste lagen. Verdunbaar met terpentijn.
  •  Koudgeperste lijnolie: te gebruiken om de consistentie te verdunnen, de vloei verbeteren en de glans en doorschijnendheid te vergroten.
  • Geraffineerde lijnolie: droogt langzamer dan de koudgeperste lijnolie. Verder heeft het dezelfde eigenschappen.
  • Ingedikte lijnolie: versnelt de droging nog sneller dan gebleekte lijnolie. Verbetert de glans, vloei en duurzaamheid van de verfhuid.
  • Drogende lijnolie: Te gebruiken voor een snelle droging van alle drogende oliën, verbetert de glans.
  • Standolie: verbetert de vloei en zorgt dat de verflaag mooi glad trekt. Vergeelt niet en is bij uitstek geschikt voor glacis en fijn details.
  • Saffloerolie: een traag drogende olie die de vloei verbetert en zeer geschikt is voor lichte kleuren.  Versterkt de glans en transparantie. Gaat tegelijkertijd de vergeling tegen. Standaard wordt aan olieverf met lijnolie gemaakt. Witten wordt, vergeling te voorkomen, met saffloerolie gemaakt. De combinatie van het pigment voor titaanwit (titaandioxide) verklaart de langere droogtijd van dit wit.
  • Papaverolie: papaverolie is met name aan te bevelen voor lichte kleuren en blauwtinten in het bijzonder. Als droogtijd versneller is het minder effectief dan lijnzaadolie en saffloerolie. De droogtijd kan meer in balans worden gebracht door toevoeging van een droogstof, siccatief. Maximaal 2% siccatief toevoegen, vermijd overdosering.
  • Spijkolie: Spijkolie is eigenlijk een goedkope lavendelolie en wordt gebruikt om olieverf, welke als grondlaag dient, te verdunnen, waardoor de verf spoediger droogt en minder kans op rimpels geeft.
  • Siccatief: Het woord siccatief is afgeleid van het Latijnse woord “secca” wat “droog” betekent. We vinden deze benaming dagelijks terug op wijnetiketten: bijvoorbeeld demi-sec, maar ook in de schilderterm in secco (in tegenstelling tot het fresco). De meeste siccatieven zijn metaalverbindingen. De drogende werking is te danken aan het desbetreffende metaalion dat zuurstof aantrekt. Je koopt het als vloeistof in een flesje en moet het heel spaarzaam gebruiken (niet meer dan 2%). Gebruik je teveel siccatief dan gaat je verf binnen afzienbare tijd barsten.

Droogtijden olieverf. (deze lijst zal incompleet zijn en zal steeds worden bijgewerkt.)

Korte droogtijd, ca. 2 dagen:

  • Permanent mauve
  • Cobalt blauw
  • Prussian blauw
  • Rauwe Sienna
  • Rauwe Omber
  • Gebrande Omber
  • Flake white hue (hue betekent dat de kleur uit meerdere pigmenten is samengesteld)
  • Underpainting white

Middellange droogtijd, ca. 5 dagen:

  • Gebrande Sienna
  • Cobalt violet
  • ultramarijn blauw
  • Sap groen
  • Veridian
  • Permanent alizarin crimson
  • Gele oker
  • Bruine oker
  • van Dijck Bruin
  • Cadmium Geel (inclusief alle varianten van cadmium geel)
  • Cadmium Oranje
  • Cadmium rood  (inclusief alle varianten van cadmiu rood)
  • Zinkwit
  • Lampen Zwart
  • Ivoorzwart
  • Hookers groen
  • Groene aarde

Lange droogtijd, meer dan 5 dagen:

  • Titaan wit
  • Quinacridone Rood
  • Quinacridone magenta
  • Alizarin Crimson

Mist u een kleur of heeft u een aanvulling, laat het mij weten.

 

Bronnen: Onder de Molen, Verfmolen de Kat, Winsor&Newton, Gerstecker, Doerner, Van Beek Art

 

 

Markrit van Rooij

Markrit van Rooij, Stilleven in aquarel.

Zelden kostte het zoveel moeite een werk te fotograferen als dit stilleven van Markrit. Het is eigenlijk te subtiel geschilderd om verkleind goed te worden weergegeven. Dit werk heeft in zich wat ik vaak probeer uit te leggen. Probeer in de aquareltechniek de transparantie van je verf en het wit van je papier te benutten. Probeer met zo weinig mogelijk een zo optimaal mogelijk resultaat te bereiken. In dit werk is dat ontzettend goed gelukt.

Niet het schilderen is het moeilijkste maar het niet schilderen en het goede moment te bepalen waarop je moet stoppen is zo moeilijk. We zijn heel snel geneigd door te schilderen en daarmee een aquarel feitelijk te dicht te maken. Neem met regelmaat afstand van je werk. Twijfel je, stop dat even. Neem nooit een beslissing door te schilderen wanneer je niet zeker bent wat je moet schilderen. In dit werk is dit allemaal uitstekend gelukt.

Hoe weet je nou welke verf dekkend, half-dekkend, half-transparant  of transparant is? Vroeger stond dat op de tubes, de meeste fabrikanten vermelden het niet meer. Op één van de muren van het atelier hangt een lijst waar je kunt lezen welke verf dekkend, half-dekkend, half-transparant  of transparant is.  De pigmenten hebben deze eigenschappen. Wat voor aquarelverf geldt geldt dus ook voor olieverf of acryl. De uitzondering is plakkaatverf. Door toevoeging van krijt is plakkaatverf dekkend.

Op deze pagina vind je alle eigenschappen.

Bij het schilderen maak je keuzes. Ik mag dan wel een stilleven neerzetten maar de schilder bepaalt wat hij of zij gaat weergeven. De foto hieronder toont het stilleven welk het uitgangspunt voor Markrit vormde.

Markrt slaagde erin om met weinig een heel sterke aquarel te maken.  De kunst van het weglaten zoals wij dit ook wel noemen.


 John Singer Sargent

Voor niet iedereen geldt dat de kunst van het weglaten werd gewaardeerd. Het schilderij Madamme X van John Singer Sargent  veroorzaakte vanaf het eerste moment dat het op de Salon van 1884 in Parijs werd getoond, de nodige oproer. Op deze jaarlijkse terugkerende tentoonstelling werd een overzicht gegeven van kunstwerken van de kunstenaars, die in de gevestigde kunstwereld van de Franse hoofdstad hoog werden gewaardeerd.

John Singer Sargent, Madame X (Madame Pierre Gautreau), 1883-84, olieverf op doek, 243 x 144 cm, Metropolitan Museum of Art, New York

De titel van het doek was Madame X. Wie model had gestaan voor het schilderij was op de Salon bewust niet bekendgemaakt.  Het doek toont Virginie Amélie Avegno, een bekende figuur in de Parijse beau monde van weleer. Ze was de vrouw van de rijke bankier Pierre Gautreau. Het publiek van de Salon had haar daarom gemakkelijk herkend. Ze nam een belangrijke positie in op de sociale ladder, dat ze mede aan haar schoonheid te danken had. Sargent schilderde haar niet in opdracht. Hij was gewoon diep onder de indruk van haar, mede door haar persoonlijke stijl. Hij had verwacht dat het zijn reputatie goed zou doen als hij haar portret ten toon zou stellen.
Bij de presentatie had de 28 jarige Sargent het rechter schouderbandje afhangend geschilderd. Samen met de de seksueel geladen pose en de bleke huidskleur veroorzaakte het schilderij een schok op de tentoonstelling. Het publiek was zo verontwaardigd dat de familie van Virginie Amélie Avegno de schilder verzocht het doek terug te trekken. Sargent was bereid het schouderbandje al tijdens de Salon over de schouder schilderen, maar daarvoor kreeg hij van de organisatie van de Salon weer geen toestemming. Hij moest het maar doen als de tentoonstelling was afgelopen. Zwaar teleurgesteld vanwege alle perikelen en kritiek, vertrok de kunstenaar kort na de affaire uit Parijs. Hij vestigde zich in Londen.

 

Bronnen: Winsor&Newton, Wikipedia, ArtSalon Holland.


 

De vader, de zoon en de neef.

Drie overzichtstentoonstellingen.

 

PAT ANDREA
Overzichtstentoonstelling ¿QUÉ PASA?  Museum More te Gorssel.
10 oktober 2021 t/m 23 januari 2022

Pat Andrea werd op 25 juni 1942 in Den Haag geboren.  Pat is het pseudoniem voor Gustav Hein. Pat is de zoon van de bekende Haagse kunstschilder Kees Andrea en de tekenares Metty Naezer. Tante Metty was de zus van mijn vader.

Pat Andrea, El dia de la Yena, 1982, particuliere collectie, © Pictoright

Pat volgde zijn opleiding aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag waar Co Westerik zijn belangrijkste leraar was. Eenmaal afgestudeerd wist hij met ludieke acties de aandacht op zich te vestigen. Zo werd in 1966 zijn eerste solotentoonstelling bij Galerie 20 in Amsterdam geopend met een bokswedstrijd. Met Walter Nobbe en Peter Blokhuis richtte hij de ABN-groep op.

¿QUÉ PASA? is Andrea’s eerste museale overzichtstentoonstelling in Nederland. Te zien zijn ruim zeventig schilderijen en tekeningen, waaronder voor het eerst sinds de jaren tachtig een selectie uit de serie La puñalada (De dolksteek, 1979-1980), geïnspireerd op de Argentijnse tango. Aan de hand van originele schetsboeken kan het publiek zich een beeld vormen van het artistieke scheppingsproces. Verder zullen ook illustraties te zien zijn, voor o.a. boeken van Jan Cremer en Herman Pieter de Boer. Speciaal voor MORE maakt Andrea in het museum een monumentale muurtekening en kan het publiek de kunstenaar ‘live’ aan het werk zien vanaf 4 oktober 2021.

Andrea zocht van begin af aan naar een kunst die zowel persoonlijk is als maatschappelijke relevantie heeft. Met schilderijen over de moord op John F. Kennedy en de executie van Che Guevara toonde hij zich in de jaren zestig een chroniqueur van zijn tijd. Schokkende beelden gaat hij ook tegenwoordig niet uit de weg, zoals met schilderijen geïnspireerd op de recente IS-terreur.

Een keerpunt in zijn leven was een reis naar Zuid-Amerika in 1976. Een dag nadat generaal Jorge Videla de macht had gegrepen, kwam hij in Argentinië aan. In wat hij later zijn tweede vaderland zou noemen, werd Andrea geconfronteerd met onderdrukking en geweld op een schaal die hij tot dan toe voor onmogelijk had gehouden.

Andrea heeft altijd veel waarde gehecht aan de toegankelijkheid van kunst. Voor hem bestaat er geen grens tussen zogenaamd hoge en lage kunst. In de traditie van Hergé, de tekenaar van de bekende stripheld Kuifje, presenteert hij zijn voorstellingen met een heldere, klare lijn. Niet toevallig was Hergé in de jaren zeventig een van zijn eerste verzamelaars. Zijn oeuvre mag in die zin gerekend worden tot de popart.

Van 1998 tot 2007 was Pat Andrea als docent verbonden aan de prestigieuze École Nationale Supérieure des Beaux-Arts in Parijs. In 2002 werd hij gekozen tot lid van de Academie des Beaux Arts de l’Institut de la France.

Museum More, Hoofdstraat 28, 7213 CW Gorssel
www.museummore.nl/

Pat Andrea in het atelier in Parijs.

KEES ANDREA
Overzichtstentoonstelling Mesdagzaal Pulchri Studio, Den Haag
4 december 2021 t/m 2 januari 2022.

Kees  Andrea (Den Haag, 3 februari 1914 – Den Haag, 7 juli 2006)  hield zich tot op hoge leeftijd nog bezig met schilderkunst en het maken van tekeningen. Hij ontwierp monumenten, was textielkunstenaar en was tevens graficus, schilder en tekenaar. Kees was de zoon van August Andrea. August drukte jarenlang de litho’s voor bekende kunstenaars als Maurits Cornelis Escher.

Kees Andrea, jongen met kippen, gouache. Collectie Dinie en Jan Naezer.

Kees volgde zijn opleiding aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Den Haag.  Zijn leraren waren Francis d’ Erdely en Chris de Moor. Na een opleiding  ging hij onder leiding van François Erdely en Christiaan de Moor enkele jaren bij de Eerste Nederlandse Vrije Studio werken. Van 1930 – 2002 werkte hij in Den Haag. Andréa werkte  in Loosduinen, Hongarije, Frankrijk, Spanje, Limburg en Rijswijk. In 1947 werd hij benoemd tot docent van de Vrije Academie in Den Haag. Kees Andrea beheerste veel technieken. Zo was hij schilder, aquarellist, tekenaar, pentekenaar, etser, lithograaf, vervaardiger van houtsnedes, graficus, illustrator, monumentaal kunstenaar, wandschilder, textielkunstenaar (weeftechniek) en vervaardiger van mozaïek. Zijn geliefde onderwerpen ware: portretten, figuurvoorstellingen, religie, interieurs, landschappen, dieren, stillevens en winterlandschappen. Het Gemeentemuseum Den Haag hield in 2005 een grote overzichtstentoonstelling ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van de kunstenaar. Andrea was lid van: de Pulchri Studio, de Vereniging van Beoefenaars van de Monumentale Kunsten, de Hollandse Aquarellisten Kring, de groep Verve, de Realisten en het Nederlands Kunstenaars Genootschap. Hij wordt gerekend tot de kunstenaars van de Nieuwe Haagse School.

Kees Andrea was een Haagse kunstenaar bij uitstek. Maar wie iets van Den Haag in zijn werk wil terugvinden, moet goed zoeken. Zijn schilderijen zijn maar ten dele gebonden aan de waarneembare, alledaagse werkelijkheid. Niet dat Andrea werkt vanuit een surreële droomwereld; hij voegt fragmenten uit de werkelijkheid samen tot voorstellingen waarin een aarzeling ontstaat tussen het waarneembare en de verbeelding. Zijn grootste bekendheid dankt Andrea aan zijn kleurrijke en fantasievolle schilderijen van landschappen en interieurs met figuren of dieren. Het zijn enerzijds indrukken uit zijn dagelijkse omgeving, maar veel vaker nog impressies van zijn reizen naar Hongarije, Spanje en Midden Amerika. Andrea zegt zich verwant te voelen met de expressionisten, “maar dan zonder die hevige, typisch Duitse en Vlaamse expressionistische vertekeningen. Ik tracht een harmonie te bereiken tussen mensen, dieren en dingen. Het raadselachtige van het bestaan probeer ik door schilderkunstige middelen te realiseren. De soms surrealistische kant van mijn werk moet voor mij een grote vanzelfsprekendheid hebben. Er is altijd een diep verband tussen mens en natuur. De lading die kleur, lijn en vorm krijgen in het schilderij is die van een poëtische kwaliteit.” (tekst Kunstmuseum Den Haag).

De Verve
Een belangrijke groep voor Andrea was de Verve, opgericht in 1951. Theo Bitter, Jan van Heel, Nol Kroes, Frans de Wit en Willem Schröfer waren de oprichters van deze groep. In 1952 verscheen bij Bert Bakker in Den Haag een voor toen luxueuze catalogus, een boek eigenlijk, waarmee de groep Verve haar bestaan in geschrifte bevestigde.
De Verve was met nadruk geen vereniging of school, maar een groep. Een gezelschap van bij benadering gelijkgerichte, met in hoofdzaak figuratief werkende kunstenaars die vooral op Parijs georiënteerd waren. Willem Schrofer bedacht de naam Verve en schreef het oprichtingsmanifest wat aanvankelijk door een eerste groep van 15 schilders en vijf beeldhouwers werd ondertekend. Alle leden werden per brief uitgenodigd. De groep exposeerde voor het eerst als groep in 1951 aan het Lange Voorhout Nr 58 bij Esher Surrey Art Galleries.
Naar aanleiding van een inleiding bij een van hun tentoonstellingen werd ook de term ‘Nieuwe Haagse School’ geboren.
Na 1957 was de kracht van het bindende element verdwenen. En ging ieder weer zijn eigen weg, maar sommigen vonden elkaar later weer bij de oprichting van Fugare in 1960 en in de Posthoorn zowel het café als de kunstzaal.

Pulchri Studio, Lange Voorhout 15, 2514 EA Den Haag.
https://www.pulchri.nl/nl/tentoonstellingen/kees-andrea/

Kees Andrea in het atelier op het landgoed de Voorde, Rijswijk

JAN NAEZER
Overzichtstentoonstelling “Een leven lang doorbijten” Voorhoutgalerie Pulchri Studio Den Haag.
22 januari 2022 t/m 14 februari 2022

Jan Naezer werd op 22 juli 1951 geboren te Tandjong Morawa (Sumatra). Zijn vader was de broer van de tekenares Metty Naezer.
Anders dan zijn oom en neef is hij niet de kunstenaar van het grote gebaar. Het opgaan in de stilte van het atelier, de intimiteit van de etsplaat of het drogen van het water op een aquarel maakt dat zijn werk het best kan worden omschreven als de kamermuziek binnen de beeldende kunst.

Jan Naezer, No. 4078. Ets, chine collé, bladgoud. Collectie Koninklijk Huis.

Jan Naezer volgde, op advies van zijn oom Kees,  zijn opleiding aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten Den Haag. Hij heeft naam gemaakt met zijn etsen die een eigen, herkenbare beeldtaal laten zien. Die beeldtaal is non-figuratief en bestaat uit een aantal vlakken, doorgaans in één kleur, die verbonden lijken door een scharnierend of verbindend element. Dit levert intrigerende beelden op die de kijker aanzetten tot langdurig observeren.
Zijn etsen zijn altijd een combinatie van verschillende diepdruktechnieken met hoogdruk en bij gelegenheid ook Chine collé. Zijn kleurgebruik is gereserveerd. Bruin, blauw, geel en rood zijn dominant maar steeds in isolement. Naezer mengt zijn kleuren niet en past ze evenmin naast elkaar toe in een ets. Hoewel de verbindende vormen in zijn werk soms aan (fragmenten van) lettertekens doen denken, blijft zijn beeldtaal consequent non-figuratief. In overeenstemming hiermee geeft Naezer zijn werken dan ook geen anekdotische titels. Ze worden voorzien van een doorgaande nummering.

Jan Naezer is, zowel in Nederland als daarbuiten, een bekende naam in de grafische wereld. Als actief lid van Pulchri Studio en door zijn lesinstituut ( Atelier Jan Naezer) waar hij tal van cursussen verzorgt heeft Naezer zich een prominente plaats verworven in de Haagse kunstwereld.

Naast etsen aquarelleert Naezer. Zijn aquarellen concurreren met zijn etswerk. Is de beeldtaal hier hetzelfde, de techniek van de waterverf geeft zijn werk een lichtheid die in het etswerk ontbreekt. In een reeks aquarellen of pigmenttekeningen, carré’s genaamd plaatst hij een vierkant in het centrum van de voorstelling, dat aan de randen uit balans wordt gebracht door grafiet, waterverf of een strookje bladgoud.  Poëtischer kan een vierkant niet worden.
(tekst Drs. J.M.P. Schaeps, conservator prentenkabinet Universiteit Leiden.)

Pulchri Studio, Lange Voorhout 15, 2514 EA Den Haag.

Jan Naezer in het atelier aan het Ledeganckplein Den Haag


Stichting Haagse Beeldende Kunst en Kunstnijverheid

De Stichting Haagse Beeldende Kunst en Kunstnijverheid beijvert zich al meer dan 20 jaar om Haagse kunstenaars een extra podium te geven. De 31 publicaties tot nu toe vormen de serie “Haags Palet”.

Deel 3 uit deze serie gaat over Kees Andrea, deel 32 gaat over Jan Naezer. Deze biografie wordt op 22 januari 2022 gepresenteerd.

Bronnen: Museum More, Kunstmuseum Den Haag, Wikipedia, Pulchri Studio, Kunstbus.

Ellen Welling

Stilleven met radijsjes, Ellen Welling. Aquarel

Ellen Welling is de vrouw van kleur. In haar allereerste werken was met name kleur het belangrijkste element. Kleuren die ik niet kenden. Kleuren als taupe, aubergine en zalm, het zijn niet de benamingen die de schilder gebruikt.

Uitbundig, zo zou ik haar eerste werken willen omschrijven. Naarmate het seizoen vorderde zag je een verandering in haar kleurgebruik. Het werd soberder en de kleuren werden steeds beter op elkaar afgestemd. Het wit van het papier begon die rol te krijgen die het hoort te hebben; het is één van de belangrijkste kleuren in de aquarel. Het bepaalt de mate van helderheid van het werk. Op deze pagina schreef ik welke kleuren transparant, half transparant, half dekkend en dekkend zijn.

In het stilleven met radijsjes wordt het kommetje goed geschilderd, het principe holle en bolle vorm is uitstekend weergegeven. Ook het verlepte blad van de radijsjes zijn overtuigend neergezet. Als steunkleur werd rood voor de radijs gebruikt, de hooglichten zijn goed uitgespaard.

Een goede aquarel Ellen, de vorderingen zijn duidelijk waarneembaar.


Kunst door de eeuwen heen.

Zolang de mens bestaat er kunst. In de prehistorie is kunst bedoeld om te overleven. Beroemd zijn de schilderingen in de grotten van Lascaux, Frankrijk. De schilderingen hebben vooral dieren als onderwerp. De tekeningen en de (aard)kleuren zijn goed bewaard gebleven. Veel schilderingen hebben geheel gekleurde vlakken, andere zijn uitgevoerd als krachtige lijntekeningen en gravures.  Naar alle waarschijnlijkheid werden de schilderingen gemaakt voordat mensen op jacht. De goden moeten gunstig worden gestemd zodat de jacht goed zal verlopen.

Grotschildering Lascaux, Dorgdone, Frankrijk

Op deze pagina van Historiek vindt je prachtige foto’s van de grotschilderingen.

Europa lijkt het centrum van het ontstaan van de kunsten. Dat veranderde in 2014, wanneer in Indonesië grotschilderingen worden ontdekt die minstens 40.000 jaar oud waren, wat ze op z’n minst zo oud maakt als de oudste schilderingen in de beroemde grotten van Europa.

Religie, het is eeuwenlang de leidraad voor kunst. Het geeft je houvast in een uiterst onzeker bestaan. Belangrijk is de symboliek, de vis die voor Jezus staat, het wit voor de onschuld en maagdelijkheid. Feitelijk werd in de vroeg Christelijke traditie, de kunst gestandaardiseerd. In één oogopslag moet de kijker de schilderijen kunnen lezen. Want echt lezen kunnen mensen in de eeuwen niet, het grootste deel is analfabeet. In elke Katholieke kerk vind je de 14 statiën (in sommige kerken 15) die allemaal met dezelfde kleuren en dezelfde symboliek, beginnend bij de veroordeling en eindigend bij de graflegging, de kruisweg van Jezus laten zien. Of je nou in Maastricht of Rome was, het verhaal is duidelijk. Het ultieme stripverhaal.

Overzicht 14 statiën parochie Blitterswijck, Limburg.

Die éénduidigheid zie je tegenwoordig terug in vormgeving. Iedereen, waar ook ter wereld, herkent in één oogopslag het logo van de Olympische Spelen.

In 1347 vaart een koopvaardijschip uit Genua de haven van Messina op Sicilië binnen. Aan boord zieke zeelieden die zwarte gezwellen vertonen ter grootte van een ei in de oksels en de liezen. Uit de gezwellen komt bloed en pus. Het is het schip met aan boord de zwarte dood, de pest. Europa wordt, net als nu met Corona, getroffen door een epidemie die genadeloos om zich heen grijpt. Zeven jonge vrouwen en drie jongemannen besluiten Florence te ontvluchten en zich terug te trekken op het Toscaanse platteland. Om de tijd te doden vertellen ze elkaar elke dag verhalen, variërend van scabreus tot hoofs, van dramatisch tot komisch. Allemaal zijn ze een lofzang op het menselijk vernuft en op het rake woord dat levens kan redden. De tien vertellers overleefden, door zich te isoleren, de Zwarte Dood.
In 1353 beschrijft de Italiaanse dichter Boccaccio de vlucht van deze mensen en tekent hij de verhalen op in de Decamerone. Een belangrijk werk in de literatuur.

De pest is een van de grootste massamoordenaars ooit en veroorzaakt de dood van ongeveer een derde van de Europese bevolking rond het midden van de veertiende eeuw.  Zij zorgt voor een ommekeer in het sociale en het culturele leven. Hele kloosters sterven uit, rijke families verliezen veel familieleden. Het gevolg is dat religie een minder belangrijke plaats krijgt en dat, door overlijden van veel rijke mensen, het geld wordt gecentraliseerd. Een nieuwe tijd, de Renaissance breekt aan. De familie Di Medici is zo’n rijke en invloedrijke familie. Zij zijn de grondlegger van het internationale bankwezen en het huidige kapitalisme. Rijker dan het Vaticaan speelt Di Medici gedurende de 15e eeuw op het gebied van kunst een toonaangevende rol. Kunstenaars krijgen opdrachten ander werk dan religieus werk ter maken. Het bekendste voorbeeld van zo’n werk is waarschijnlijk de Mona Lisa ( La Gioconda) van da Vinci.

Mona Lisa (Italiaans: La Gioconda), Leonardo de Vinci. 1503-1506. Collectie : Musée du Louvre, Parijs

Portretkunst blijft belangrijk, mensen zijn nou eenmaal ijdel. De Nachtwacht van Rembrandt zorgt dan ook voor een schandaal. Een groep schutters die de opdracht geven zich te laten portretteren. Iedere schutter betaalt het zelfde bedrag, maar niet iedereen wordt volledig geschilderd. Dat zet kwaad bloed maar maakt het schilderij uniek in haar opvatting. Als aardigheidje: de Nachtwacht heet eigenlijk ‘De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren’. Rembrandt had het met veel donkere partijen geschilderde doek met een damarvernis afgewerkt. Die vernislaag verdonkerde in de loop der tijden en zo kreeg het doek de bijnaam de Nachtwacht.

De schilderkunst verandert als Joseph Nicéphore Niépce in 1826 de eerste foto maakt. Een vage foto (de belichtingstijd was acht uur) die het uitzicht vanuit zijn werkkamer laat zien. Die foto, de ontwikkeling van de fotografie luidt het eind van de dure portretkunst in. Natuurlijk, er blijven mensen die portretten schilderen, maar opdrachten zoals in de Gouden Eeuw verdwijnen.

De eerste foto, een foto vanuit de werkkamer van Joseph Nicéphore Niépce. 1826. Belichtingstijd 8 uur,

Dat geeft kunstenaars ruimte. Zeker als de Engelsman Rand in 1841 de tube uitvindt. Vanaf dat moment wordt verf in productie genomen en gaan kunstenaars naar buiten om “en plein air” te schilderen. Weer breekt een nieuw tijdperk aan. Beginnend met de School van Barbizon ontstaat het Impressionisme. Het is aardig om je te realiseren dat landschap van voor die tijd altijd een op het atelier in elkaar gezette compositie is. Je gaat geen halve dag verf maken, in varkensblazen stoppen om dan buiten te werken. Je maakt schetsen en op het atelier stel je vanuit de mooiste schetsen het schilderij samen. Landschappen van voor 1841 zijn allemaal verzonnen, een stukje Texel met een deel Rome.

De schilders van het Impressionisme maken de kunst tot een zelfstandig iets. Stroming na stroming volgt. Een sleutelfiguur is de Nederlandse schilder Piet Mondriaan. Met hem komen architectuur, typografie, schilderkunst en vormgeving samen.

Een interessant werk is de pindakaasvloer van de Nederlandse kunstenaar Wim T. Schippers uit 1969. Het werk past in de opvatting van Schippers dat alles in principe zinloos en onzinnig is, maar daarom nog wel de moeite waard. Schippers voegt met zijn pindakaasvloer een nieuw element toe aan de kunst: geur. Het werk wordt verguisd door het grote publiek maar omarmd door de auto-industrie. Geur wordt bij duurdere auto’s een onderdeel van het concept.

Pindakaasvloer, 1969. Wim T. Schippers. Museum Boijmans van Beuningen

Kunst is, zonder dat wij ons daar constant van bewust zijn een wezenlijk onderdeel van ons dagelijks bestaan. Het is het opium voor de geest. Kunst brengt ons verder.

 

 

 

Patricia Vreeburg

Vorm en restvorm

Vorm en restvorm, één van de moeilijkste onderwerpen bij het schilderen. Bij de aquarel van Patricia is het principe goed uit te leggen. Patricia is losser aan het komen, neemt meer risico en dat levert een veel betere aquarel op. De aquarel is goed van kleur, helder van opbouw en vlot geschilderd. Dat is prima. Bij de compositie wil ik even stilstaan.

Op je doek of papier zet je een vorm, het onderwerp. Alles wat je overhoudt noem je de restvorm. Als die twee niet in evenwicht met elkaar zijn dan kloppen je doek en compositie niet. Het best zie je dit in een modeltekening. Teken je de schouder en de arm goed maar de ruimte tussen romp en schouder niet can zal je tekening niet kloppen en moet je model richting de fysiotherapeut.

Als Patricia het onderwerp groter maakt dan wordt het tegelijk nog overtuigender. Bij een aquarel is dat heel makkelijk, je maakt je passe-partout kleiner. Dan krijg je onderstaand beeld.

In dit beeld kan je de vorm en restvorm duidelijk zien. Uiteindelijk blijken het 7 vormen te zijn. Vormen die allemaal even belangrijk zijn. Ik heb ze even met grove lijnen aangegeven. Probeer vorm en restvorm dus goed op elkaar af te stemmen, je werk wint er aan.

 

Leida Boersma

Het was op verzoek van Gijsbert Harder; een simpele bloemkool als onderwerp. Uit mijzelf had ik het nooit als onderwerp neergelegd. Het doet mij denken aan de periode dat ik op een internaat woonde. Elke dinsdag  muffe  bloemkool met een sausje en speklapjes. Hoe anders is de bloemkool geschilderd door Leida Boersma.

Krachtig, fris en in een paar uur (zonder te schetsen) op papier gezet. Mooi vind ik het loof wat zich als een slinger achter de bloemkool van de ene kant van het papier naar de andere kant beweegt. Met een paar kleine accenten zijn de roosjes aangegeven en de bloemkool staat overtuigend op papier.

Leida kan kijken en schilderen. Over het algemeen kiest zij voor de directe opzet, dat wil zeggen zonder tekening vooraf. Natuurlijk, dat gaat wel eens fout. Maar over het algemeen weet zij een overtuigend beeld neer te zetten; goed van compositie, helder in het gebruik van kleur. Trefzeker en vormvast.

Het is dat je er geen prijs mee kunt winnen, dat was vroeger anders.

Kunst als Olympische sport,
Er was een tijd dat bejaard zijn en grijze haren geen belemmering vormden voor het behalen van een olympische medaille. De oudste medaille winnaar ooit was de 73 jarige John Copley. Het lukte deze Engelse kunstenaar om op de Spelen van 1948 een zilveren medaille te winnen met zijn ets ““Polo Players”” Hij won deze medaille in de categorie “Schilderijen en Grafiek”. Het was het laatste jaar dat kunst onderdeel vormde van de Olympische Spelen.

“Polo Players”, John Copley. Ets, 27,8 bij 33,7 cm. Zilveren medaille in de categorie “Schilderijen en Grafiek” Olympische Spelen 1948. Collectie British Museum

Van 1912 – 1948 had kunst een plek op de Olympische Spelen. De kunstwedstrijden bestonden uit vijf hoofdcategorieën: architectuur, literatuur, muziek, schilderen en beeldhouwen. In een poging de wedstrijden zo objectief mogelijk te kunnen beoordelen werden er strikte regels aan deelname verbonden. Alle kunstwerken moesten sport als thema hebben en niet eerder aan het publiek zijn vertoond.

Dat kunst een tijd  onderdeel was van de Spelen dankten zij aan de Coubertain, de oprichter van de spelen. Geïnspireerd door de oude Griekse idealen ontwikkelde hij de theorie dat evenwicht tussen lichaam en geest het beste uit de mens haalt, kunst hoorde er dus bij.

De Coubertin stelde een Olympisch comité samen bestaande uit vermogende mannen die niet financieel verbonden waren aan hun land.  In 1896 gingen de eerste moderne Olympische Spelen van start in Athene. De kunstcompetities lieten nog een paar jaar op zich wachten, want de comités van de gastlanden wisten niet hoe ze kunst op een eerlijke en objectieve manier konden beoordelen.  Het is nou eenmaal lastiger te bepalen wie het mooiste kunstwerk schildert dan wie de discus het verst gooit. Met name de objectiviteit leverde veel discussie op. In 1912 keurde het toenmalige gastland Zweden het goed dat kunst onderdeel van de Spelen werden.

Het einde van de Olympische kunstcompetitie
Het wisselende aantal inzendingen, de partijdigheid van de jury’s en de weinige aandacht voor de kunstwedstrijd bij de organiserende landen; zij zorgden voor het einde aan de Olympische kunstcompetities . Cruciaal werden de Spelen in 1936 te Berlijn. In de muziekcompetitie waren 7 van de 9 juryleden Duits.  Van de 32 medailles gingen er 12 naar Duitsland zelf en 11 naar nazi-bondgenoten Italië, Japan en Oostenrijk. Onder de medaillewinnaars waren de beroemde nazi-kunstenaar Arno Breker en de architecten van het Berlijnse Olympische stadion: Werner en Walter March. Het luidde het eind van een vergeten onderdeel van de Spelen in. De laatste editie van de Olympische kunstcompetitie werd gehouden bij de spelen van Londen in 1948.

Nederlandse prijswinnaars
De enige Nederlandse gouden medaille in de categorie schilderkunst werd in 1928 behaald door Isaac Israëls. De kunstschilder won tijdens de Olympische spelen van Amsterdam goud met zijn schilderij “Rode rijder”.  De afgebeelde ruiter is de grootvader van voormalig RKD-medewerker Willem Rappard. De grootvader kocht het schilderij niet, omdat hij het paard niet vond lijken.
In hetzelfde jaar won architect  Jan Wils de gouden medaille voor architectuur met zijn ontwerp voor het Olympisch stadion. In totaal won Nederland tussen 1912 en 1948, twee keer goud, een keer zilver en drie maal brons.

Rode rijder. Isaak Israëls , olieverf op linnen, 80 bij 75 cm. Gouden medaille Olympische Spelen 1928. Collectie: kunsthandel Ivo Bouwman.

 

Bronnen: Vice, Wikipedia, Kunstvensters, Rijksdienst Kunsthistorische Documentatie, British Museum