Gilgamesj, het nationale epos van de Babyloniërs is waarschijnlijk al zo’n 3000 jaarvoor Christus ontstaan. Zowel uit de 20e als uit de 13e eeuw v.C. zijn er fragmenten bekend, maar het meeste is gevonden op duizenden kleitabletten uit de 7e eeuw v.C. in de ruines van Ninivé, in het Babylonisch-Assyrische schrift. Uit die tijd stamt ook de indeling in twaalf ‘tafelen’.

In de eerste tafel wordt Koning Gilgamesj voorgesteld – éénderde mens, tweederde god- , die door zijn onoverwinnelijkheid en dadendrang zoveel onrust veroorzaakt, dat zijn volk de goden verzoekt om een gelijkwaardig schepsel. De oergodin Aroeroe schept daarop de ‘supermens’ Enkidoe. In de tweede tafel trekt Enkidoe op naar de poorten van Gilgamesj’ rijk. Er volgt een strijd, die Gilgamesj wint; maar waarna zij besluiten voortaan elkaars broeders en vrienden te zijn. In de derde tafel vragen de edelen Gilgamesj om ten strijde te trekken tegen de slechte, machtige heerser Choembaba en in de vierde tafel gaan Gilgamesj en Enkidoe op weg.
Bijna worden ze het slachtoffer van Choembaba’s toverkrachten, maar samen sterk, verslaan ze hem toch in de vijfde tafel en voeren zijn hoofd in triomf mee terug.
De zesde tafel begint met de verheerlijking van Gilgamesj’ schoonheid en vertelt hoe Isjtar, de godin van de vruchtbaarheid, verliefd op hem wordt. Omdat Gilgamesj haar afwijst, vervloekt zij hem en drijft Enkidoe van hem weg. In de zevende tafel zijn de vrienden weer bijeen, maar Enkidoe voelt het noodlot naderen: hij heeft een droom, waarin hij zijn einde ziet. Kort daarop wordt hij ziek en ziet in zijn koortsdromen de poort van de dood. In de achtste tafel sterft Enkidoe, Gilgamesj wanhopig achterlatend, vol twijfels of ook hij uiteindelijk sterfelijk zal blijken te zijn.
In de negende tafel gaat Gilgamesj op zoek naar het geheim van het eeuwige leven. Hij komt daarbij aan de poort van de dageraad, waar twee reusachtige ‘schorpioen-mensen’ de wacht houden bij het godenrijk en weet ze over te halen hem binnen te laten. In de tiende tafel ziet Gilgamesj kans om via een soort stammenbrug de Wateren des Doods over te steken naar het Eiland des Levens, waar Oetnapisjtim woont, een mens, die het geheim van het eeuwige leven kent. In de elfde tafel vertelt deze over de grote zondvloed die hij overleefde, waarna hij onsterfelijk werd. Samen gaan zij het kruid van het eeuwige leven plukken voor Gilgamesj, die het echter door zijn onoplettendheid weer verliest. Diep teleurgesteld smeekt Gilgamesj de goden hem toe te laten tot het Rijk van de Doden, om dan in elk geval weer met Enkidoe verenigd te worden zodat hij het lot van de gestorvenen leert kennen. In de twaalfde tafel ontstijgt Enkidoe’s schim de aarde en beantwoordt Gilgamesj vraag naar de dood: ook hij zal tot stof vergaan in de aarde. Daarop keert Gilgamesj terug tot zijn koninkrijk Oeroek en sterft.

In de nu volgende etsencyclus hebben wij van elke tafel één, ons aansprekend vers uitgebeeld. De versregels die we gekozen hebben, staan erbij, maar doen natuurlijk onvoldoende recht aan het gecompliceerde verhaal. Echter, samen met bovenstaande samenvatting wordt wellicht toch iets voelbaar van de sfeer van dit oeroude epos.

 

 

i1339726-2

Zij nam leem en kneedde een beeld …
Nu rijst daar, ’t lichaam warrig en duister
behaard: Enkidoe alleenzaam …

©  Yvonne Riphagen

 

 
i1339726-3

 Gram, God of demon
verspert Enkidoe de poorten des tempels.
Rost en ravijnland ontsprong hij.

© Joke Verwater

 

 
i1339726-4

Een edeling verhief zich, zeggend zijn Koning:
Luister, o Heer, immer gold uw wil en woord ons
wet. Weze nu eenmaal zo Heer,
dat ons wenswoord U wet zij!

© Ineke Schotanus

 

 
i1339726-5

Choembaba’s dienaar springt te voorschijn.
Mantelen zeven, vreemd toverkrachtig,
omhuiven ’t structuur zijn lichaams.

© Susanne Fiebelkorn

 

 
i1339726-6

Den dag, dat rondde de maanschijf,
traden zij de poorten van Oeroek in.
De Koning voerde op zijn jachtspiets
het doodsgrauw hoofd van der ceedren wachter:
Choembaba!

© Joke M. Luxemburg

 

 
i1339726-7

Blank wiesch Gilgamesj zijn wapenen;
kamde zijn lokken, stroomend den hals hem langs
Geen vorst benaderde in schoonheid
deez’ prachtige Koning!

© Anne-Marie van den Berg

 

 
i1339726-8

Hoor naar den droom:
Mij tegen trad een geweldige;
Gelijk een gier droeg hij gruwbare vleugels en
klauwen. Hij greep mij en wierp mij ten afgrond.

© Wendel Nennie

 

 
i1339726-9

En voor Enkidoes verdoolde geest rijst de ingang
des ceedrenbergs als een poort, ontzagg’lijk te
schouwen. Als een mensch spreekt hij:
Poort des wouds, poort des Godenbergs

© Harry J. van Adrichem

 

 
i1339726-10

Gilgamesj’vingren, voorzichtig, tasten de
hartstreek, doch ’t hart werd stil.
En zo gelijk een bruid men behoedzaam toedekt,
alzoo deed de grote Koning Enkidoe.

© Hanneke Lamme

 

 
i1339726-11

Twee reuzen houden de wake: een man, een
vrouw. Hun tors steekt boven de aarde…
’t Onderst des lichaams hangt af ter wereld der
schimmen en schijnt schorpioenen.

© Anne Schulte Nordholt

 

 
i1339726-12

Onfeilbaar en roek’loos stiet Gilgamesj de
ontzaggelijke stammen diep in de Boze Waatren
des Doods. Het getal der stammen reikt niet tot
den oever van het wonderbaar Eiland des Levens.

© José Hekkens

 

 
i1339726-13

Nauw zichtbaar daalden de waatren…
Alle de vooglen der lucht nu loste ik,
en juublend naar de vier windstreken der wereld
wemelden zij heen!

© Peter Carstens

 

 
i1339726-14

En d’ aarde opende zich, en traag steeg een
schaduw op uit de diepte der gronden,
sidderend van vreeze, onzegbaar:
Enkidoe, Panter der Steppe.

© Vivian van Harrewijn-Seitzinger

 

 

 


Literatuur: Gilgamesj
vertaling Jan H. van Eekhout, 2e druk, jaartal onbekend.

Papiersoorten:
etspapier: Hahnemühle 210 gr.
transparant: Schoellerhammer 90 gr.
lettertype:Times New Roman

oplage: 20 exemplaren